Aan de ambtenaar wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage, als bedoeld in de artikelen 3:1:1:17 en 3:1:1:18, een blijvende verlaging ondergaat, wordt door burgemeester en wethouders een aflopende toelage toegekend indien:
die blijvende verlaging tenminste 3% bedraagt van de som van het salaris en de toelagen als bedoeld in de artikelen 3:1:1:16 en 3:1:1:20 en
de ambtenaar de bedoelde toelage voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste twee jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De aflopende toelage als bedoeld in het vorige lid wordt in drie jaren afgebouwd, waarbij in het eerste jaar na beëindiging of vermindering 100%, in het tweede jaar 50%, in het derde jaar 25% van de toelage wordt toegekend zoals die gold onmiddellijk voorafgaand aan de beëindiging of vermindering.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid wordt aan de ambtenaar van 58 jaar of ouder wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van de bedoelde toelage een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, mits hij eerstgenoemde toelage, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking heeft genoten.
De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat, wanneer de ambtenaar de leeftijd van 58 jaar bereikt en hij, onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking de bedoelde toelage heeft genoten, over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden.