Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 6 › Paragraaf

Artikel 6:2:1:1

Artikel 6:2:1:1

Onderdeel van CAR/UWO

1. Het in artikel 6:2 genoemde vakantieverlof wordt conform het bepaalde in het derde lid van artikel 6:2:1 verhoogd bij een leeftijd van: -18 jaar en jonger met 21,6 uren -19 jaar met 14,4 uren -20 jaar met 7,2 uren -35 tot en met 44 jaar met 14,4 uren -45 tot en met 49 jaar met 21,6 uren -50 tot en met 54 jaar met 28,8 uren -55 jaar en ouder 43,2 uur 2. Voor de bepaling van het in het eerste lid bedoelde aantal uren wordt uitgegaan van de leeftijd welke in de loop van het kalenderjaar door de ambtenaar wordt bereikt. 3. Ambtenaren die op 1 januari 2005 de leeftijd van 30 tot 35 jaar of de leeftijd van 45 tot 50 jaar bereikt hebben, behouden de aanspraken op leeftijdverlof zoals die voor 1 januari 2005 golden totdat zij de leeftijd van 35 of 50 jaar bereikt hebben. Op dat moment is de nieuwe regeling op hen van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel