Voor de toepassing van deze beleidsregels wordt verstaan onder:
belanghebbende: de persoon die recht heeft op een inkomensvoorziening;
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen;
inkomensvoorziening: een uitkering op grond van de Participatiewet of de IOAW of de IOAZ;
wet: de Participatiewet;
bijstandsnorm: de norm als bedoeld in § 3.2 van de wet;
noodzakelijke kosten van het bestaan: de bestaanskosten die kunnen worden gerekend tot het op minimumniveau algemeen gangbare bestedingspatroon;
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;
probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet.
Voor zover niet anders is bepaald, worden begrippen in deze beleidsregels gebruikt in dezelfde betekenis als in de wet, de IOAW en de IOAZ.
Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen inkomensvoorzieningen
Artikel 2 Opschorting, herziening of intrekking van het besluit tot toekenning van een inkomens- voorziening
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten, herzien of intrekken van het toekenningbesluit bedoeld in artikel 54, eerste, derde en vierde lid van de wet en artikel 17, eerste, derde en vierde lid van de IOAW en de IOAZ.
Het college kan op grond van dringende redenen afzien van het nemen van een opschortings-, herzienings- of intrekkingsbesluit.
Artikel 3 Verblijf in het buitenland
Op belanghebbenden met een IOAW- of IOAZ-uitkering wordt artikel 13, eerste lid, onderdeel e van de wet overeenkomstig toegepast.
Hoofdstuk 3 Bepaling waarschuwing bij schenden inlichtingenplicht
Artikel 4 Schriftelijke waarschuwing
Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing wegens het schenden van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet of artikel 13 van de IOAW of IOAZ indien het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Hoofdstuk 4 Bepalingen vaststelling norm bij zakelijke relatie
Artikel 5 Zakelijke relatie verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger
Belanghebbende toont een zakelijke relatie aan door middel van een schriftelijke overeenkomst, waarbij de wederzijdse rechten en plichten geregeld en nauwkeurig afgebakend zijn, en waarbij een commerciële prijs is overeengekomen. Daarnaast toont de belanghebbende betaling van de commerciële prijs aan door het overleggen van de bewijzen van betaling.
De overeenkomst als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste de volgende onderdelen:
naam, adres en woonplaats van beide partijen;
aanduiding van de ruimte;
de ingangsdatum;
het overeengekomen bedrag, uitgesplitst naar huur en overige woonlasten zoals gas, water en elektra;
de wijze van betaling;
het betaalmoment van het overeengekomen bedrag;
de looptijd van de overeenkomst;
de jaarlijkse indexering, huurverhoging.
Indien het een kostgever betreft dient de overeenkomst als bedoeld in het tweede lid de volgende aanvullende bepalingen te bevatten:
welke diensten de kostganger ontvangt en
welke ruimten hij mag gebruiken.
Artikel 6 Commerciële prijs
Een huurprijs wordt commercieel geacht indien de hoogte gelijk of hoger is dan de minimale rekenhuur op grond van de Wet op de huurtoeslag.
Indien het een kostganger betreft wordt bij de (basis)huur als bedoeld in het eerste lid conform de normen van het Nibud een bedrag per maand opgeteld voor de kosten van voeding.
Artikel 7 Korting inkomsten bij huur of kostgeld
Op grond van artikel 33, vierde lid van de Participatiewet worden de inkomsten uit ver-
huur in mindering gebracht onder aftrek van een vrij te laten bedrag voor energie en afschrijving van meubilair en dergelijke, gebaseerd op de normen van het Nibud per maand per verhuurde kamer.
Indien de huurder een kostganger is wordt het bedrag in het eerste lid verhoogd met een bedrag voor voeding per kostganger dat gebaseerd is op de normen van het Nibud.
Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.
De inkomsten uit verhuur zoals dat is geformaliseerd in het project ‘Onder de pannen’ en waarover met de Regenbooggroep afspraken zijn gemaakt worden niet in mindering gebracht.
Hoofdstuk 5 Bepalingen vaststelling norm bij ontbreken woonlasten.
Artikel 8 Verlaging van de bijstandsnorm
Het college stelt de bijstandsnorm lager vast indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft of hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van:
bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden;
het niet aanhouden van een woning;
bewoning van een woning waaraan geen huurlasten zijn verbonden.
De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:
20% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel a en b.
15% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel c.
Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.
Hoofdstuk 6 Beleidskeuzes naar aanleiding van de wetswijziging Participatiewet in balans
Artikel 9 Vrijlaten van giften in individuele gevallen
Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:
giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;
giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten, inclusief medische kosten voor een huisdier;
giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;
giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, maar die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
andere, lokaal relevante categorieën giften.
Artikel 10 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste één van de volgende omstandigheden:
de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:
in een inrichting verbleven;
opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of
bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.
voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;
de jongere een zorgbehoefte heeft;
de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;
de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;
jongeren met een vergelijkbare kwetsbaarheid waarvan redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat zij op korte termijn zelfstandig in staat zijn om werk of een opleiding te vinden.
Artikel 11 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:
dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
werkaanvaarding;
een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;
een verblijf buiten de gemeente.
Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
het hoofdverblijf;
de gezinssituatie; en
het inkomen en het vermogen.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW.
Artikel 12 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:
er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;
de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.
er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
de belanghebbende heeft probleemschulden en / of betalingsachterstanden;
na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;
na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.
Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW.
Hoofdstuk 7 Slotbepalingen
Artikel 13 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in de beleidsregels, indien strikte toepassing ervan tot onbillijkheden van overwegende aard zou leiden.
Artikel 14 Onvoorziene situaties
In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.
Artikel 15 Intrekking
De Beleidsregels inkomensvoorzieningen gemeente Amstelveen vastgesteld op 1 maart 2016 worden ingetrokken.
Artikel 16 Citeertitel, inwerkingtreding en overgangsrecht
Deze beleidsregel wordt aangehaald als Beleidsregels Inkomensvoorzieningen Participatiewet gemeente Amstelveen en treden in werking op de dag na de bekendmaking.
Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.
Hoofdstuk 1
Artikel 1