Het college stelt de bijstandsnorm lager vast indien de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft of hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van:
bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden;
het niet aanhouden van een woning;
bewoning van een woning waaraan geen huurlasten zijn verbonden.
De verlaging bedoeld in het eerste lid bedraagt:
20% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel a) en b)
15% van het netto minimumloon in de situatie van het eerste lid onderdeel c)
Dit artikel is niet van toepassing op de IOAW en de IOAZ.
Hoofdstuk 5
Artikel 8