Het college zet voor het onderzoek naar aanleiding van een aanvraag voor jeugdhulp de daarvoor benodigde specifieke deskundigheid in en zorgt ervoor dat de deskundigheid bekend is bij de aanvrager.
Het in het eerste lid bedoelde advies, met inachtneming van artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet, wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:
Bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) in het kwaliteitsregister jeugd;
Bij het Nederlands Instituut voor Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
Op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
Afhankelijk van de vereisten van het in lid 1 bedoelde onderzoek moet de adviseur aantoonbaar beschikken over:
Sociaal-medische kennis op het niveau van een arts;
Ergonomische kennis;
Bouwkundige/technische kennis; of
Gedragswetenschappelijke kennis.
Indien de adviseur zelf niet beschikt over de in lid 3 benoemde kennis en deze kennis wel noodzakelijk is voor het onderzoek, wint de adviseur deze in bij personen die over de benodigde deskundigheid beschikken.
In gevallen waarin de uitvoeringstaken voor de Jeugdwet extern zijn belegd, ofwel de besluitvorming op Jeugdaanvragen wordt gemandateerd aan andere bestuursorganen of aanbieders, draagt bij het college zorg voor het voorkomen van een rolvermenging bij advisering, gemandateerde besluitvorming en levering van maatwerkvoorzieningen door deze partijen.
HOOFDSTUK 4
Artikel 21.
Onderzoek, advies en functiescheiding
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp en schulddienstverlening Noordenveld 2026