Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1

Artikel 2.1.1

Immateriële vaste activa

Onderdeel van Nota Waardering en afschrijving vaste activa 2025

Immateriële vaste activa zijn die vaste activa waar geen fysieke bezittingen tegenover staan. De immateriële vaste activa bestaan volgens artikel 34 van het BBV uit: kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio; kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief; bijdrage in activa in eigendom van derden. Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio Het verschil tussen het schuldbedrag en het uitgekeerde bedrag, het (dis)agio, kan naar keuze al dan niet worden geactiveerd. Als het (dis)agio wordt geactiveerd vindt afschrijving plaats in overeenstemming met artikel 64 lid 4. Hierin is bepaald dat de afschrijvingsduur van de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo agio en disagio, maximaal gelijk is aan de looptijd van de lening. Daarbij moet worden opgemerkt dat in de toelichting op het BBV wordt geadviseerd om de kosten van het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio niet te activeren. Maar deze kosten in het jaar waarin ze worden gemaakt in één keer ten laste van het eigen vermogen te brengen (exploitatielast in de jaarrekening). Het uitgangspunt in Gouda is dat deze kosten niet worden geactiveerd. Uitgangspunt 1 (Gouda): De kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van (dis)agio worden niet geactiveerd. Kosten van onderzoek en ontwikkeling van een bepaald actief In overeenstemming met artikel 60 van het BBV kunnen kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief worden geactiveerd als: het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat; het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en; de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Kosten van onderzoek en ontwikkeling zijn immateriële kosten. Het activeren van immateriële kosten leidt tot bijkomende (rente-)lasten en daarmee uiteindelijk tot hogere exploitatielasten zonder dat daar een voordeel of een materieel bezit tegenover staat. Daarom is het van belang zorgvuldig af te wegen hoeveel immateriële kosten redelijkerwijs tot de kostprijs van het actief kunnen worden gerekend. De toevoeging in de BBV-regel ‘voor het realiseren van een bepaald actief’ is hier essentieel. De vooronderzoeken in de voorbereidende fasen leiden tot een definitief ‘go-or-no-go’ moment waarop het bestuurlijk besluit valt om over te gaan tot de realisatie van een bepaald actief van een bepaalde omvang en kwaliteit en voor het verleende budget. Immateriële kosten voor het realiseren van een bepaald actief in eigendom van de gemeente, worden in Gouda geactiveerd vanaf het moment dat het investeringsbudget is vastgesteld door de gemeenteraad. Immateriële kosten in de fase(n) daarvóór worden niet geactiveerd. Op basis van een onderbouwd voorstel kan de gemeenteraad hier anders over besluiten. Uitgangspunt 2 (Gouda): Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden zoveel mogelijk geactiveerd. Bijdrage in activa in eigendom van derden Een voorbeeld van een ‘bijdrage in activa in eigendom van derden’ is een bijdrage aan een gebouw in eigendom van derden. Bepalend is dat het economisch eigendom niet bij de gemeente berust. Bijdragen in activa in eigendom van derden mogen volgens artikel 61 van het BBV worden geactiveerd als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: er is sprake van een investering door een derde; de investering draagt bij aan de publieke taak van de gemeente; deze derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals overeengekomen; de gemeente kan de bijdrage terugvorderen als de derde in gebreke blijft of anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Uitgangspunt 3 (Gouda): Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden in Gouda geactiveerd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel