Onder criteria voor de inzet van vast en mobiel cameratoezicht wordt in ieder geval verstaan:
er is sprake van (gevaar voor) verstoring van de openbare orde;
er is een evenwichtige verhouding tussen inzet van cameratoezicht en de geconstateerde criminaliteit en overlast;
er wordt voorafgaand aan inzet afgewogen of het geformuleerde doel met minder ingrijpende maatregelen behaald kan worden;
publiek cameratoezicht is onderdeel van een groter pakket aan maatregelen die zijn getroffen om openbare ordeverstoring tegen te gaan;
voorafgaand aan of onverwijld na de plaatsing van een camera wordt een DPIA uitgevoerd.
Artikel 3.