Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is,
gelden de volgende bepalingen:
a. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten met
waterspoeling, moet een doeltreffende rottingput met een
doeltreffende aansluitleiding naar die toiletten aanwezig
zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische bedrijfsdoeleinden
worden gebruikt;
b. voor de opvang van faecaliën, afkomstig uit toiletten
zonder waterspoeling, moeten een doeltreffende beerput
zonder overstort, een doeltreffende gierput of een
doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn,
alsmede een doeltreffende aansluitleiding tussen die
toiletten en de genoemde put, tenzij op andere zodanige
wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van water,
bodem of lucht kan optreden;
c. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
van afvalwater zonder faecaliën, alsmede overstorten van
rottingputten moeten zodanig lozen dat geen verontreiniging
van water, bodem of lucht kan optreden;
d. leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer
van afvalwater zonder faecaliën mogen niet lozen op een
rottingput.
Hoofdstuk › Paragraaf 3
Artikel 5.3.5
Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
Onderdeel van Bouwverordening