Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Werkwijze onderzoeken ex artikel 2, vijfde lid

Onderdeel van Verordening Rekeningencommissie Den Haag 2026

1. . De commissie kiest de onderwerpen voor haar onderzoek, formuleert de probleemstelling en stelt de onderzoeksopzet vast. 2. . Elk raadslid kan aan de commissie een gemotiveerd verzoek doen tot het instellen van een onderzoek door de accountant. Indien een raadslid een onderzoek wil laten uitvoeren, kan het daartoe een verzoek doen bij de voorzitter van de Rekeningencommissie, met een afschrift naar de secretaris. In het verzoek neemt het raadslid de onderzoeksvragen, context en aanleiding op. De voorzitter vraagt de accountant te beoordelen of het onderzoek mogelijk is en of de GAD het gevraagde onderzoek kan uitvoeren, rekening houdend met onder meer accountantsregelgeving, benodigde deskundigheid en beschikbare capaciteit. Desgewenst vindt nader overleg plaats met de aanvrager en/of de voorzitter van de Rekeningencommissie. De accountant brengt advies uit aan de Rekeningencommissie. Het advies wordt geagendeerd in de eerstvolgende vergadering van de Rekeningencommissie (rekening houdend met de daarvoor geldende termijnen). De aanvrager kan worden uitgenodigd om de onderzoeksaanvraag toe te lichten. De Rekeningencommissie neemt in deze vergadering een besluit over opdrachtverstrekking aan de accountant op basis van een meerderheid van stemmen overeenkomstig artikel 4, vijfde lid van deze verordening. Indien de voorzitter van oordeel is dat de behandeling niet kan wachten tot de eerstvolgende vergadering kan de Rekeningencommissie de besluitvorming over opdrachtverstrekking aan de accountant schriftelijk afdoen. De voorzitter van de Rekeningencommissie brengt de aanvrager op de hoogte van het genomen besluit. 3. . De commissie is belast met en verantwoordelijk voor de uitvoering van het onderzoek volgens de door haar vastgestelde onderzoeksopzet. Voor de uitvoering van het onderzoek kan de commissie, met inachtneming van het beschikbare budget, deskundigheid inschakelen. 4. . De commissie is bevoegd bij de leden van het college mondelinge en schriftelijke inlichtingen in te winnen, die zij nodig acht voor de uitvoering van de onderzoeken. 5. . De commissie stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen een door haar te stellen termijn, die tenminste twee weken bedraagt, hun zienswijze op het concept-onderzoeksrapport aan de commissie kenbaar te maken. Betrokkenen zijn in elk geval diegenen, van wie de taakuitvoering (mede) onderwerp van onderzoek is of is geweest. De commissie bepaalt wie voorts als betrokkenen worden aangemerkt. 6. . Na vaststelling door de commissie wordt het onderzoeksrapport, de nota met conclusies en de aanbevelingen en de zienswijze van betrokkenen op het (concept-)onderzoeksrapport zo spoedig mogelijk onder toezending van een afschrift aan het college en de betrokkenen, aan de raad aangeboden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel