Naar hoofdinhoud

Artikel 10: Dwanginvordering, kosten van dwanginvordering en rente

Artikel 10: Dwanginvordering, kosten van dwanginvordering en rente

Onderdeel van Beleidsregels terug- en invordering PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 gemeente Gennep 2026

Indien belanghebbende de betalingsverplichting niet correct nakomt of onvoldoende medewerking verleent aan het treffen of uitvoeren van een betalingsregeling, start het college het traject van dwanginvordering. Het college ziet af van het in rekening brengen van rente, tenzij: de periodieke bijstand is verstrekt onder verband van een krediethypotheek en na afloop van de tienjarige aflossingsperiode de vordering niet volledig is voldaan. In dat geval wordt over het restant wettelijke rente minus 3% in rekening gebracht, conform artikel 4 van het Besluit Krediethypotheek- en Pandrecht; de periodieke bijstand is verstrekt onder verband van een krediethypotheek en belanghebbende gedurende de tienjarige aflossingsperiode verwijtbaar nalatig is geweest in het voldoen van de aflossingsverplichting. De vordering wordt dan geheel opeisbaar en wettelijke rente is verschuldigd, conform artikel 3 van het Besluit Krediethypotheek- en Pandrecht; de bijstand is verstrekt in de vorm van een Bbz‑lening of TOZO‑lening bedrijfskapitaal, waarbij de rente bij beschikking is vastgesteld. Bij verzending van een aanmaning en bij uitvaardiging van een dwangbevel worden de kosten verhoogd met: buitengerechtelijke kosten, vastgesteld conform artikel 4:113 Awb en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, met een minimum van € 40,00 en een maximum van € 750,00; gerechtelijke kosten, berekend volgens de tarieven van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag), op grond van artikel 434a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij overdracht van de executie van het dwangbevel aan een gerechtsdeurwaarder worden de kosten verhoogd met de executiekosten zoals vastgesteld in het Btag. Indien het college zelf vereenvoudigd derdenbeslag legt, worden de invorderingskosten vastgesteld op 15% van het openstaande saldo, met een minimum van € 37,50 en een maximum van € 750,00. Indien op een later moment opnieuw een vordering ontstaat waarvoor het college wederom vereenvoudigd derdenbeslag moet leggen, is het vijfde lid opnieuw van toepassing. Indien de vordering wordt overgedragen aan een derde partij, worden de door deze derde gemaakte kosten en rente doorberekend aan de debiteur. Indien bij aanvang van de vordering duidelijk is dat overdracht aan een gerechtsdeurwaarder noodzakelijk is, bijvoorbeeld bij een zelfstandig ondernemer, worden de kosten als bedoeld in het vijfde lid niet in rekening gebracht. Indien verrekening met een lopende bijstandsuitkering mogelijk is, worden geen invorderingskosten in rekening gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel