Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.3

Artikel 2.3.1

Draagkracht bijzondere bijstand

Onderdeel van Beleidsregels Werk & Inkomen Waalre (2026)

1.. In dit artikel wordt verstaan onder ‘draagkracht’: een percentage van het voor de bijzondere bijstand in aanmerking te nemen inkomen en vermogen waarmee de inwoner geacht wordt zelf bij te dragen in de kosten. 2.. De draagkrachtperiode is 12 maanden en vangt aan op de 1e dag van de maand waarop de kosten, waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend, betrekking hebben. 3.. De draagkracht wordt binnen de draagkrachtperiode van 12 maanden herzien indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven. Dit betreft: Een inkomensdaling van ten minste 20%; Een inkomensstijging van te minste 20%; Een stijging van het vermogen waardoor dit uitkomt boven de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet. 4.. Er is sprake van een draagkrachtloos inkomen, indien het inkomen van de inwoner gelijk of lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm. Indien het inkomen hoger is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, wordt bij de verlening van de bijzondere bijstand rekening gehouden met het meer-inkomen, op de volgende wijze: Voor woonkosten wordt 100% van het inkomen boven 115% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, als draagkracht aangemerkt. Voor overige kosten wordt 35% van het inkomen boven 115% van de geldende bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld, als draagkracht aangemerkt. 5.. De kostendelersnorm, zoals bedoeld in artikel 22a van de wet, wordt niet toegepast bij het verlenen van bijzondere bijstand. Het inkomen wordt hierbij afgezet tegen de toepasselijke alleenstaande (ouder)norm, gehuwdennorm of de norm als bedoeld in artikel 24 van de wet. 6.. Bij het berekenen van het feitelijk inkomen wordt rekening gehouden met buitengewone uitgaven zoals: Het verschil tussen de daadwerkelijk ontvangen huurtoeslag en de huurtoeslag die zou zijn ontvangen bij een inkomen op bijstandsniveau; De woonkosten voor zover deze meer bedraagt dan het bedrag aan huurtoeslag waarop de inwoner op grond van de Wet voor de huurtoeslag aanspraak zou hebben; Eigen bijdrages zorgkosten; De kosten van alimentatie- of onderhoudsverplichtingen; Buitengewone verwervingskosten; en Kosten voor studie en opleiding. 7.. Indien het vermogen van de inwoner en diens partner hoger is dan het volgens artikel 34 lid 3 van de wet toegestane bescheiden vermogen, wordt 100% van het vermogen boven de grens in aanmerking genomen als draagkracht. 8.. Bij de bepaling van de hoogte van het vermogen wordt van het totaalsaldo van de ter beschikking staande betaal- en spaarrekeningen van de inwoner, diens partner en de ten laste komende kinderen een bedrag vrijgelaten ter hoogte van maximaal 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (inclusief vakantiegeld) in verband met lopende uitgaven. Deze vrijlating kan niet leiden tot een negatief saldo. Indien dit het geval is, wordt het banksaldo vastgesteld op € 0,00. 9.. Het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf wordt volledig buiten beschouwing gelaten. Artikel 50 lid 3 van de wet is hierbij niet van toepassing. 10.. Als de inwoner een individuele inkomenstoeslag heeft ontvangen in de 12 maanden voor de eerste dag van de draagkrachtperiode, wordt de verstrekte individuele inkomenstoeslag niet als vermogen in aanmerking genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel