Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.3

Artikel 13

Bestemmingscriteria

Onderdeel van Verordening, houdende regels omtrent de verdeling van woonruimte en wijziging van de woonvoorraad

1. Huurwoningen worden onderscheiden in eengezinswoningen en woningen van het overige type. Binnen deze categorie worden in ieder geval onderscheiden de aangepaste/aanpasbaar gebouwde woningen. 2. Een eengezinswoning wordt bij voorkeur passend geacht indien:a. het huishouden op het moment van de voorgenomen woningtoewijzing in een regiogemeente een vergunningsplichtige eengezinswoning vrijmaakt, ofb. het huishouden op het moment van de voorgenomen woningtoewijzing minimaal vijf jaar zelfstandig en onafgebroken in een meergezinswoning in een regiogemeente woonachtig is en ten minste één der leden van het huishouden 30 jaar of ouder is. 3. Een aangepaste c.q. aanpasbaar gebouwde woning wordt bij voorkeur passend geacht voor woningzoekenden die daarop op medische gronden zijn aangewezen. 4. Seniorenwoningen of aanleun-/zorgwoningen worden bij voorkeur passend geacht voor huishoudens waarvan ten minste één lid van het huishouden een leeftijd van 55 jaar heeft bereikt. 5. Een woning van het overige type wordt voor alle woningzoekenden passend geacht. 6. Burgemeester en wethouders kunnen woningen nader onderscheiden en zij kunnen daarop afgestemde bestemmingscriteria, alsmede van deze paragraaf afwijkende passendheidscriteria, vaststellen.

Rechtspraak bij dit artikel