Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11:

Artikel 37

Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant

1.. Een deelnemer kan uittreden uit de regeling. 2.. Gedurende drie jaren na de datum van toetreding tot de regeling is het niet mogelijk om uit de regeling uit te treden. 3.. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht genomen, gerekend vanaf het moment van ontvangst van het uittredingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders respectievelijk het dagelijks bestuur van het waterschap. 4.. Uittreding uit de regeling vindt steeds plaats per 1 januari met inachtneming van de opzegtermijn uit het vorige lid. 5.. Een deelnemer die uit de regeling wenst te treden stuurt, na verkregen toestemming van het algemeen bestuur van het waterschap respectievelijk de gemeenteraad, zijn besluit tot uittreding bij aangetekend schrijven aan het dagelijks bestuur. 6.. Het dagelijks bestuur maakt dit besluit tot uittreding onmiddellijk bekend bij het algemeen bestuur en de dagelijkse besturen van de deelnemers. 7.. Indien een deelnemer overeenkomstig het bepaalde in lid 5 van dit artikel zijn besluit tot uittreding kenbaar heeft gemaakt, stelt het algemeen bestuur uiterlijk 16 weken voor de datum van uittreding het schadebedrag vast en de financiële en personele gevolgen voor de gemeenschappelijke regeling. 8.. Het schadebedrag wordt gesteld op: In jaar 1 na uittreding: 100% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is ontvangen, te betalen in vier gelijke termijnen, vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober. In jaar 2 na uittreding: 66% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is ontvangen, te betalen in vier gelijke termijnen vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober. In jaar 3 na uittreding: 33% van de jaarbijdrage zoals vastgesteld in jaarrekening in het jaar waarin het verzoek tot uittreding is, te betalen in vier gelijke termijnen vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober. 9.. Het bepaalde in de vorige leden is van overeenkomstige toepassing indien de uittreding van een deelnemer betrekking heeft op een of meer van de deeltaken WOZ, heffen, innen en of BAG, met dien verstande dat het schadebedrag wordt gesteld op 200% van het deel van de jaarbijdrage die ziet op de deeltaak, waarbij het schadebedrag wordt betaald in vier gelijke termijnen, vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober. 10.. Bij het uittreden van een deelnemer voor een of meer deeltaken, kunnen het college danwel het dagelijks bestuur van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur van de BWB besluiten dat de BWB de bevoegdheid blijft behouden voor het uitvoeren van die deeltaken op basis van de tot de uittredingsdatum geldende verordeningen van de uittredende deelnemer.

Rechtspraak bij dit artikel