Van gevaar voor het wegverkeer ter plaatse, als bedoeld in artikel 2:12 lid 2 onder a van de APV, is in ieder geval sprake als de uitweg is gesitueerd:
op minder dan 5 meter van de tangent van een bocht, rotonde, kruising of splitsing;
op minder dan 5 meter van een voetgangersoversteekplaats;
op een weg die hoort bij een gebiedsontsluitingsweg 50 en 70 voor zover deze binnen de bebouwde kom ligt en een gebiedsontsluitingsweg 80 als deze buiten de bebouwde kom ligt. Tenzij er geen alternatieven zijn en de verkeersveiligheid kan worden gewaarborgd.
niet op de plaats van op de aanliggende weg aangebrachte opstelstroken, dan wel voorsorteervakken;
op minder dan 5 meter van een bushalte;
op een plaats waar belemmeringen ontstaan voor het in- en uitrijden met een personenauto van een of meer bestaande uitwegen;
op een locatie waar onvoldoende zicht is op kruisend verkeer, tenzij er aantoonbare maatregelen worden getroffen die de verkeersveiligheid waarborgen.
Er moet voldoende parkeergelegenheid zijn op eigen terrein. Het geparkeerde voertuig mag niet uitsteken op openbaar terrein.
De aanleg en het gebruik van de uitweg mag in geen geval nadelige gevolgen hebben voor het veilig en doelmatig gebruiken van de weg.
Hoofdstuk 2.
Artikel 4
Voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg
Onderdeel van Beleidsregel uitwegen gemeente Doetinchem 2026