Naar hoofdinhoud

Artikel 3.

Zelfbewoningsplicht

Onderdeel van Beleidsregels zelfbewoningsplicht en (door)verkoopverbod Leusden 2026

1.. De eerste koper, dan wel diens rechtsopvolger(s), is verplicht de woning gedurende een aaneengesloten periode van vijf jaren uitsluitend te gebruiken voor eigen bewoning (al dan niet tezamen met partner en/of gezinsleden). Het is de eerste koper of diens rechtsopvolger niet toegestaan de woning te verhuren of anderszins in gebruik te geven aan derden. 2. . Als datum van aanvang van zelfbewoning geldt de datum waarop de eerste koper op het adres van de woning is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). De bewijslast van het moment van inschrijving ligt bij de eerste koper. 3.. Het college verleent op schriftelijk verzoek van de eerste koper dan wel de daaropvolgende koper(s) schriftelijk ontheffing in de navolgende gevallen: Bij verkoop op grond van een machtiging van de rechter als bedoeld in artikel 3:174 BW; Bij executoriale verkoop door hypothecaire schuldeisers (artikel 3:268 BW); Bij het aanvaarden van een werkkring door koper of haar/diens partner op een locatie die gelegen is op een zodanige reisafstand van de betreffende woning dat deze in redelijkheid niet overbrugbaar is; Bij overlijden van koper of haar/diens partner; Bij ontbinding van het huwelijk van koper door echtscheiding, ontbinding van het samenlevingsverband dan wel geregistreerd partnerschap; Bij verhuizing, noodzakelijk door de gezondheid van koper of een van zijn gezinsleden; Bij verkoop van een woning die onder een zogenaamde Koopgarantregeling, Koopstartregeling of daarmee gelijk te stellen regeling valt. 4.. De eerste koper, dan wel diens rechtsopvolger(s), verplicht zich om, indien hij overgaat tot vervreemding van de woning aan een derde, de in dit artikel bedoelde verplichting voor de resterende termijn van de zelfbewoningsplicht bij wijze van kettingbeding op/door te leggen aan de volgende koper en/of diens rechtsopvolger(s). Deze verplichting geldt ook wanneer er ontheffing is verleend. 5.. Bij niet nakoming van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel verbeurt de eerste koper, dan wel diens rechtsopvolger(s), door het enkele feit van niet-nakoming, zonder voorafgaande ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist, aan de gemeente Leusden een direct opeisbare boete van vijftigduizend euro (€ 50.000,00), tenzij schriftelijke ontheffing is verleend als bedoeld in het derde lid, dan kan geen boete worden opgeëist. 6.. Indien de eerste koper, dan wel diens rechtsopvolger(s), tekortschiet in de nakoming van voormelde verplichting (lid 4) van het doorleggen van het kettingbeding, verbeurt de partij die tekortschiet aan de gemeente Leusden een direct opeisbare boete van vijftigduizend euro (€ 50.000,00), zonder dat voorafgaande ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist. 7.. De boetes zoals bepaald in de leden 5 en 6 van dit artikel kunnen naast elkaar bestaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel