Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Toezicht: Aanspreken op verantwoordelijkheid

Onderdeel van Beleidsnota kinderopvang gemeente Rucphen 2026

Jonge kinderen zijn kwetsbaar. Toezicht op de kwaliteitseisen waarborgt dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het scheppen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke impuls tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang. In het huidige toezicht ligt meer nadruk op de dialoog tussen houder en toezichthouder en daarbij concentreert de toezichthouder zich op de kwaliteitsbeoordeling. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke omstandigheden een rol spelen, deze omstandigheden blijken uit het rapport van de toezichthouder. De toezichthouder werkt in opdracht van de gemeente. Zijn rol als toezichthouder wordt niet beïnvloed. De toezichthouder is onafhankelijk in zijn beoordeling of voldaan wordt aan de wettelijke eisen. Wat u als ondernemer kunt verwachten van een onderzoek van de toezichthouder De toezichthouder is onafhankelijk in zijn beoordeling of wordt voldaan aan de wettelijke eisen. De toezichthouder adviseert het college op basis van zijn bevindingen. De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere: observaties; de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken; gesprekken met medewerkers; een gesprek met de houder; documentenonderzoek; schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie. Een bezoek van de toezichthouder vindt doorgaans onaangekondigd plaats. Meer informatie leest u in de folder: Toezicht en handhaving kinderopvang van GGD GHOR Nederland. Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. Zij gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden kinderopvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol. In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder: zonder oordeel luisteren en observeren; open vragen stellen en doorvragen en controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd. De toezichthouder zet kinderopvangorganisaties aan om (samen) te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer sprake blijkt van een tekortkoming is van belang om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de mate van inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies aan het college. De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder waar mogelijk, meer waar nodig. De werkwijze van de toezichthouder past bij de uitgangspunten in deze beleidsnota: er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en/of onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen is reden tot zorg. De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau. Bij lichte zorg over actuele situatie/zorg over nabije toekomst of zorg over actuele situatie/serieuze zorg over nabije toekomst wordt de houder op de hoogte gesteld van het verscherpte toezicht, waarin de reden voor het verscherpte toezicht wordt toegelicht en welke gevolgen dit heeft voor de betreffende kindercentra of gastouderbureau. De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten: onderzoeken voor registratie onderzoeken na registratie reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken incidentele onderzoeken nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en)) Ook kan de toezichthouder thema-onderzoeken uitvoeren. Minimaal één keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie ten minste eens per drie jaar bezocht wordt. Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op: Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG); registratie in het Personenregister kinderopvang (PRK); pedagogische kwaliteit; voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is). Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen. Jaarlijks kan het college samen met de toezichthouder een uitvoeringsplan opstellen. Hierin staat waar de accenten in het toezicht en indien van toepassing thema-onderzoeken over gaan. Zo kan de toezichthouder ieder jaar extra aandacht besteden aan bepaalde kwaliteitseisen en speerpunten. Welke kwaliteitseisen dat zijn is afhankelijk van landelijke en lokale ontwikkelingen en signalen vanuit het toezicht. Het college/de GGD kan besluiten om de speerpunten en/of de thema-onderzoeken te communiceren met de houders. De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan het college. Bij overtredingen biedt de toezichthouder, onder voorwaarden, de mogelijkheid om aan te tonen hoe de houder deze oplost. Het herstel vindt plaats tijdens de onderzoeksperiode. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat sprake is van structureel blijvend herstel. Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder inzet voor een snel herstel van een tekortkoming. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld. De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt, ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod geen vooraf vaststaand recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere inschatting van de nalevingsbereidheid. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of en per wanneer de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Na afloop van de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij: aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod; er veel overtredingen zijn binnen verschillende domeinen; de houder in de voorgaande drie jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding structureel op te heffen; de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht, gelet op de kwaliteit en of de veiligheid van de opvang voor de kinderen; herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode; specifieke voorwaarden die het college met de GGD heeft uitgesloten (Indien van toepassing opgenomen in het uitvoeringsplan) . Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet voor. een herstelaanbod in aanmerking omdat zij niet aan de criteria voldoen. Het college streeft ernaar om de uitvoering van taken, ook die in opdracht door de GGD worden uitgevoerd, voor de kinderopvang zoveel mogelijk af te stemmen op de landelijke ontwikkelingen en de adviezen vanuit de VNG en GGD GHOR Nederland. Door deze aanpak blijft de gemeente niet alleen in lijn met de landelijke ontwikkelingen en regelgeving, maar wordt er ook ruimte geboden voor maatwerk (denk aan beoordeling omstandigheden) en verantwoord beleid. Als de kwaliteit van de kinderopvang zodanig ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen. Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op bijvoorbeeld door het bevel te verlengen. Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de GGD geven wij hier invulling aan. Echter, er kunnen ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Zowel het college als de toezichthouder roepen iedereen op die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang deze met ons te delen. Dit kan telefonisch 088-6392000 of per e-mail bij kinderopvang@ggdwb.nl. Met signaal-gestuurd-toezicht reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek. Zorg, melding of signaal over kinderopvang doorgeven? Telefonisch 088-6392000 E-mail kinderopvang@ggdwb.nl Voor de inrichting van het signalenproces is een landelijke denklijn in de maak, zodra deze bekend is zal het worden geïntegreerd in het signalenproces. De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio. Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, is kleinschalig en persoonlijk. De gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Er is geen vier-ogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. De verantwoordelijkheden zijn anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In onze gemeente zijn ook gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft GGD West-Brabant minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector. De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. Zoveel mogelijk van de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus zijn onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die GGD West-Brabant ontvangt van andere toezichthouders (werkzaam bij een andere GGD) over gastouderbureaus worden altijd onderzocht. Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken. Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente. Diverse kinderdagverblijven in onze gemeente bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB). Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en eventueel gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) die vooralsnog toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve). Er zijn plannen om dit toezicht vanuit de IvhO anders vorm te geven en deels over te hevelen naar de GGD’en. De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.

Rechtspraak bij dit artikel