Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 11.

Algemene regels voor pgb

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026

1.. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het pgb-plan (artikel 1 onder bb), rekening houdend met het bepaalde in de artikelen 12 tot en met 17: waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake, of met hulp uit zijn sociale netwerk of van een derde in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht; hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van goede kwaliteit en cliëntgericht is. Als de beoogde voorziening niet voldoet aan de door het college gestelde veiligheids- en kwaliteitseisen, dan motiveert cliënt in het pgb-plan waarom de voorziening van gelijkwaardig niveau is. In geval van diensten, waarbij de dienstverlener in contact kan komen met personen jonger dan achttien jaar, moet degene die de diensten verleent voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikken (artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens), met uitzondering van familieleden in de eerste en tweede graad en degenen die incidentele ondersteuning bieden; hoe naar zijn inzicht met het pgb invulling wordt gegeven aan de onderdelen van de in het onderzoeksverslag (artikel 5) geformuleerde doelen, te behalen resultaten en daaraan verbonden activiteiten en evaluatiemomenten. Hierbij maakt hij inzichtelijk wie wat in de activiteiten kan doen (sociaal netwerk, school, algemene voorziening) en voor welke activiteiten een maatwerkvoorziening nodig is. Deze activiteiten kunnen vervolgens worden gespecificeerd in tijd en frequentie per week. De activiteiten en doelen zijn dan ook de basis voor de (periodieke) evaluatie met de budgethouder; dat voldaan is aan het gestelde in artikel 38. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken; voor zover het beschermd wonen betreft: een uiteenzetting van de kosten voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding. 2.. Voor eenmalige pgb’s, zoals hulpmiddelen, woningaanpassingen of eenmalige vervoersvoorzieningen, gelden de eisen uit lid 1 niet. De cliënt dient hiervoor minimaal één offerte te overleggen. 3.. Een pgb moet door de cliënt binnen zes maanden na toekenning worden ingezet voor het resultaat waarvoor het is verstrekt. 4.. Na overlijden van een budgethouder, kan de achterblijvende partner, als dat nodig is, nog maximaal 6 weken gebruik blijven maken van de dienstverlening die uit het pgb wordt bekostigd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel