Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 11:

Artikel 42.

Eigen kracht in de Jeugdwet

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026

1.. Ouders zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen. Zij zetten daarvoor hun eigen kracht in 2.. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening indien en voor zover de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders, al dan niet met behulp van het sociaal netwerk of andere voorzieningen, voldoende is om in de behoefte aan hulp en ondersteuning te voorzien. Dit vraagt een zorgvuldige individuele beoordeling die rekening houdt met de achtergrond van de specifieke problematiek van de jeugdige en zijn ouders. 3.. De wettelijke verzorgings- en opvoedingsplicht die ouders in relatie tot de jeugdige hebben, vormt het uitgangspunt voor de beoordeling. Deze plicht omvat de verantwoordelijkheid tot: het bieden van een beschermende woonomgeving waarin de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd is; Het bieden van een bij de leeftijd van de jeugdige passende opvoeding en verzorging die bijdraagt aan de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid en de persoonlijkheid van de jeugdige, ook rekening houdend met de toenemende mondigheid van de jeugdige om zichzelf naar eigen inzicht te ontwikkelen, en; het bevorderen van een relatie van de jeugdige met de andere ouder. 4.. Bij de individuele beoordeling van eigen kracht wordt achtereenvolgens gekeken: welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan de jeugdige valt; welk deel van de hulp bovengebruikelijk is; of jeugdige en ouders over voldoende eigen kracht beschikken om de bovengebruikelijke hulp zelf, ook rekening houdend met de balans tussen de draagkracht en draaglast, of met ondersteuning van het sociaal netwerk of andere voorzieningen te bieden, en of de jeugdige daarboven nog een maatwerkvoorziening nodig heeft. 5.. In bijlage 3 staat beschreven wat er onder gebruikelijke hulp en onder eigen kracht wordt verstaan in relatie tot de jeugdwet. 6.. Er wordt van ouders verwacht dat zij, voor zover binnen hun mogelijkheden, hun eigen kracht benutten om te voorzien in de behoefte aan hulp en ondersteuning. Bovengebruikelijke hulp valt onder de eigen kracht van ouders zolang de ouders in staat en beschikbaar zijn deze hulp te bieden. 7.. Als er sprake is van bovengebruikelijke hulp, neemt het college in haar onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. De draagkracht van de ouders moet groot genoeg zijn om de draaglast aan te kunnen. Bij het vaststellen van die balans maakt het college een onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties. Van een kortdurende situatie is sprake wanneer uitzicht op herstel van het probleem bestaat en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit gaat over een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat ouders alle hulp zelf bieden en dat de draagkracht en draaglast in balans zijn. Van een langdurende situatie is sprake wanneer het een chronische situatie betreft. Hierbij is de verwachting dat de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Het college gaat er in dit geval vanuit dat, als zij vaststelt dat draagkracht en draaglast naar algemene opvattingen in balans zijn, ouders alle hulp zelf bieden.

Rechtspraak bij dit artikel