Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3:

Artikel 8.

Afwijzingsgronden

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Berg en Dal 2026

1.. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien; voor zover voor de hulpvraag van cliënt een voorliggende voorziening bestaat dan wel gebruik kan maken van voorzieningen op grond van andere wetten die een oplossing bieden voor de hulpvraag; voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien; als de voorziening algemeen gebruikelijk is; als cliënt voor de Wmo 2015 geen inwoner is van de gemeente Berg en Dal met uitzondering van beschermd wonen en opvang, of volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Berg en Dal valt; als het om een voorziening gaat die de cliënt zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd: vóór de melding; na de melding maar vóór datum van de beschikking, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of over die periode de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; voor zover de aanvraag gaat over een voorziening die al eerder aan cliënt is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 7 lid 5; als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond; voor zover er voor de cliënt geen aantoonbare meerkosten zijn in vergelijking met de situatie van voordat de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie ontstonden; voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst-adequate voorziening kan worden aangemerkt; voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht. 2.. Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt: in het geval de beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐ en recreatiewoningen, ADL‐clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting; voor zover het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen die niet specifiek gericht zijn op personen met beperkingen en/of ouderen, behalve automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte; voor specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; als de noodzaak voor de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing die niet noodzakelijk was vanwege de beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie. 3.. Er is geen toegang tot de voorziening beschermd wonen als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer van huiselijk geweld. 4.. De toegang tot opvang kan worden geweigerd wanneer: een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject; sprake is van een omstandigheid waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is; een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling; de eigen bijdrage (na herhaaldelijke waarschuwingen) niet betaald wordt; in het geval van vrouwenopvang: er geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie. 5.. Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen in deze verordening.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel