Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK V › Paragraaf 6

Artikel 34

Recht op inkomen en stil pandrecht aangeschafte zaak (art. 7:77 BW)

Onderdeel van Bankreglement Kredietbank Limburg

1.. De Kredietbank kan op grond van 7:77 BW lid 1 onder d met de klant overeenkomen enig recht op periodieke betaling, verschuldigd uit hoofde van loon of andere inkomsten uit arbeid, van uitkeringen als bedoeld in artikel 475c onder b-i van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ter zake van een kredietovereenkomst op enigerlei wijze overdraagt, vervreemdt of bezwaart dan wel tot invordering daarvan een onherroepelijke volmacht, in welke vorm of onder welke benaming ook, voor de kredietovereenkomsten: waaraan als klant deelneemt: echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, van wie het gezamenlijk netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van die wet; een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm bedoeld onder 1; een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan zeventig procent van de norm bedoeld onder 1; dan wel in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een klant (saneringskrediet). 2.. De Kredietbank is bevoegd om tot zekerheid van de nakoming van een verbintenis van de klant uit hoofde van een kredietovereenkomst, een pandrecht als bedoeld in artikel 237 van Boek 3 te vestigen op een zaak, indien die zaak door de klant met het uit hoofde van de kredietovereenkomst verkregen geld wordt aangeschaft of aan de klant ingevolge de kredietovereenkomst het genot van die zaak wordt verschaft, voor de volgende kredietovereenkomsten: waaraan als klant deelneemt: echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet, van wie het gezamenlijk netto maandinkomen niet hoger is dan de norm genoemd in artikel 21, onderdeel b, van die wet; een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan negentig procent van de norm bedoeld onder 1°; een alleenstaande als bedoeld in artikel 4, onderdeel a, van de Participatiewet, van wie het netto maandinkomen niet hoger is dan zeventig procent van de norm bedoeld onder 1°; dan wel in het kader van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een klant (saneringskrediet). Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het bedingen van een eigendomsvoorbehoud. 3.. De Kredietbank is voor toepassing van dit artikel in ieder geval gehouden aan de voorwaarden in artikelen 7:80 en 7:81 BW.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel