Dit Damoclesbeleid heeft in de eerste plaats betrekking op de bevoegdheid van de burgemeester om over te gaan tot het treffen van een bestuurlijke maatregel ter zake van woningen of lokalen of daarbij behorende erven, als daarin of daarop een middel als bedoeld in lijst I of II of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep, of een preparaat daarvan, als bedoeld in lijst IA behorende bij de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
De genoemde lijst I heeft betrekking op harddrugs.
De genoemde lijst IA bevat een drietal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die reeds op lijst I staan. Met deze stofgroepen (chemische structuur) kunnen substanties en de preparaten worden ontwikkeld, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen of beogen teweeg te brengen als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne (zogenoemde “designerdrugs”). Deze lijst is sinds 1 juli 2025 aan de Opiumwet toegevoegd (zie hierna)3Stb. 2025, 32..
De genoemde lijst II bevat de verboden softdrugs. Aan deze lijst II is sinds 1 januari 2023 ook ‘lachgas’ toegevoegd. Dit Damoclesbeleid heeft daarom ook op lachgas betrekking (zie hierna).
Om te bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid wordt in dit Damoclesbeleid aansluiting gezocht bij de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het College van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie (Stcr. 2015, nr. 5391). Op grond van deze Aanwijzing worden een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram (of 0,5 milliliter, 1 pil, 1 bolletje, 1 ampul of 1 wikkel) en een hoeveelheid softdrugs van maximaal 5 gram gezien als hoeveelheden voor eigen gebruik (gedoogde gebruikshoeveelheid). Als deze hoeveelheden worden overschreden, dan mag in beginsel worden aangenomen dat de drugs (mede) bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. Slaagt de betrokkene daarin niet, dan is de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, bevoegd om ten aanzien van woning, lokaal en/of bijbehorend erf een last onder bestuursdwang op te leggen.
Lachgas: Sinds 1 januari 2023 is lachgas (distikstofmonoxide, CAS-nummer 10024-97-2) op lijst II van de Opiumwet opgenomen. Lachgas wordt daarmee gekwalificeerd als een softdrug. Op grond van artikel 3 van de Opiumwet is het voor eenieder verboden om stoffen die op lijst II staan, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken, te vervoeren, aanwezig te hebben of te vervaardigen. Deze verboden gelden ook voor de oneigenlijke toepassing van lachgas als (recreatieve) softdrug. Het doel van het verbod is om de brede beschikbaarheid van lachgas voor recreatief gebruik als roesmiddel terug te dringen en daarbij het aanbod te beperken. Het (enkele) gebruik van lachgas (recreatief als roesmiddel) valt niet onder het verbod. Het verbod op handel in lachgas is niet van toepassing als lachgas een legale toepassing heeft. Dat is het geval als lachgas wordt gebruikt voor legale technische doeleinden of als voedingsadditief. Om deze legale toepassingen van lachgas buiten de reikwijdte van het verbod op grond van de Opiumwet te houden, gelden uitzonderingen op het lachgasverbod. Zie hiervoor artikel 15a van het Opiumwetbesluit4Zie ook de volgende links: https://wetten.overheid.nl/BWBR0014405/2023-01-01 en https://open.overheid.nl/repository/ronl-f998c05908482dc0832b7fc9052d3acf4912947d/1/pdf/factsheet-lachgasverbod-per-1-januari-2023.pdf.. Voor lachgas geldt daarom als uitgangspunt dat dit “strafbaar is, tenzij…”. Dit betekent in de praktijk een omgekeerde bewijslast: degene bij wie lachgas is aangetroffen, moet aannemelijk maken dat dit niet onder het lachgasverbod valt. Volgens het besluit tot plaatsing van lachgas op lijst II van de Opiumwet5Stb. 2022, 461. is bij particulieren het bezit kan meer dan 10 ampullen lachgas van 8 gram, dus in totaal 80 gram, een (sterke) aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor eigen gebruik en daarmee als handelshoeveelheid kwalificeert6Rb. Oost-Brabant 7 maart 2024, zaaknr. SHE 23/2129 (niet gepubliceerd. Kan geanonimiseerd gedeeld worden).. Daarnaast geldt voor aangewezen eindgebruikers in bijlage II van het besluit dat zij maximaal vijf verpakkingen van elk maximaal 50 ampullen in bezit mogen hebben voor de toepassing van lachgas als voedingsadditief. Het bezit van een grotere hoeveelheid dan de genoemde 10 respectievelijk 50 ampullen is een aanwijzing dat het lachgas geen legale toepassing heeft en dan is een overtreding van artikel 3 van de Opiumwet aannemelijk.
Designerdrugs: Met ingang van 1 juli 2025 is de “Wet van 29 januari 2025 tot wijziging van de Opiumwet in verband met het toevoegen van een derde lijst met als doel het tegengaan van de productie van en de handel in nieuwe psychoactieve stoffen en enkele andere wijzigingen”7Stb. 2025, 32. in werking getreden (hierna: ‘de Wijzigingswet 2025’)8Stb. 2025, 82.. De Wijzigingswet 2025 richt zich op nieuwe psychoactieve stoffen (hierna: NPS of NPS-en). NPS-en worden in de praktijk aangeduid als ‘designerdrugs’. NPS-en zijn middelen die geregeld op de markt verschijnen en qua werking vergelijkbaar zijn met de klassieke illegale drugs, maar vóór inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 niet onder de drugswetgeving vielen9Kamerstukken II 2021/22, 36 159, nr. 3, p. 2. Hier wordt ook de Europese definitie van een NPS gegeven, te weten: “een stof in zuivere vorm of in een preparaat, die noch onder bij het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties van 1961 inzake verdovende middelen zoals gewijzigd bij het Protocol van 1972 valt, noch onder het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, maar gezondheids- of sociale risico’s met zich kan meebrengen die gelijkaardig zijn aan deze die de stoffen die onder die verdragen vallen, met zich kunnen meebrengen.”.
Met de Wijzigingswet 2025 is aan de Opiumwet een nieuwe lijst toegevoegd; lijst IA. Deze lijst bevat een aantal stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van meerdere substanties met een psychoactieve werking die reeds op Lijst I van de Opiumwet staan. Met deze stofgroepen (chemische structuur) kunnen substanties en de preparaten worden ontwikkeld, die vergelijkbare psychoactieve effecten teweegbrengen of beogen teweeg te brengen als de bekende drugs, zoals MDMA, THC (de psychoactieve stof in cannabis) en heroïne. De Wijzigingswet 2025 behelst een generiek verbod op deze stofgroepen die zijn opgenomen op lijst IA. Dit staat in artikel 2a van de Opiumwet. Beoogd wordt hiermee de volksgezondheid te beschermen en de productie van en handel in deze middelen tegen te gaan10Kamerstukken II 2021/22, 36 159, nr. 3, p. 1.. Het generieke verbod in voornoemd artikel omvat dus een verbod op alle middelen die kunnen worden afgeleid van de chemische basisstructuur van een substantie. Indien de producent van NPS-en aan deze basisstructuur een chemische groep toevoegt, is de ontstane NPS automatisch verboden. Daarmee bestaat dus een “verbod op designerdrugs”.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Opiumwet kan de minister van VWS een ontheffing verlenen van het generieke verbod. Anders dan de ontheffing met betrekking tot middelen op lijst I en II, wordt een ontheffing voor lijst IA niet per middel maar per stofgroep verleend11Kamerstukken II 2021/22, 36 159, nr. 3, p. 8.. Uit artikel 6, tweede lid, van de Opiumwet volgt dat een ontheffing of de verlenging daarvan, voor maximaal vijf jaar kan gelden. Artikel 8, derde lid, van de Opiumwet bevat de gronden waarop een ontheffing van voornoemd verbod kan worden verleend of verlengd12Omdat (dier)geneesmiddelen zijn uitgezonderd van het generieke verbod in artikel 2a, tweede lid, van de Opiumwet, heeft de wetgever een algemene ontheffing voor apothekers, apotheekhoudende huisartsen, dierenartsen of aangewezen instellingen zoals opgenomen in artikel 16 van het Opiumwetbesluit, overbodig geacht (Kamerstukken II 2021/22, 36 159, nr. 3, p. 31)..
Vóór de inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 was de burgemeester – voor zover relevant – op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in een woning, lokaal of bijbehorend erf een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig is. Sinds de inwerkingtreding van de Wijzigingswet 2025 op 1 juli 2025 is deze bevoegdheid uitgebreid. Voortaan is de burgemeester ook bevoegd, in de zin van het hiervoor genoemde artikel, als een substantie die deel uitmaakt van/ontleend is aan een stofgroep als bedoeld in lijst IA of een preparaat daarvan wordt verkocht, afgeleverd, verstrekt of daartoe aanwezig is (en geen sprake is van een of meer van de hiervoor genoemde uitzonderingen op het generieke verbod). Het is volgens de wetgever van belang dat de burgemeester ook bij – kort gezegd – het constateren van handel in designerdrugs kan optreden.
Omdat lijst IA de stofgroepen bevat waarvan de chemische structuur is afgeleid van substanties die op lijst I van de Opiumwet staan vermeld, bestaat tussen beide lijsten een onderlinge samenhang. Op lijst I staan verboden harddrugs vermeld (zie ook artikel 3.2 onder a van het Damoclesbeleid), terwijl op lijst IA de chemische basisstructuren staan voor de harddrugs op lijst I. Vanwege deze samenhang wordt op grond van dit Damoclesbeleid, voor het bepalen of sprake is van een handelshoeveelheid designerdrugs (substanties of preparaten) die voortkomt uit de stofgroepen genoemd in lijst IA, aangesloten bij hetgeen in de Aanwijzing Opiumwet is geregeld met betrekking tot harddrugs (zie paragraaf 2.1.1 van het Damoclesbeleid).
Concreet betekent dit dat als uitgangspunt wordt aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram, 0,5 milliliter (of 1 pil/ampul) substanties of preparaten die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in lijst IA of preparaten daarvan, die aangetroffen hoeveelheid in beginsel (mede) wordt geacht bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Dit betekent tevens dat voor de handhaving van – kort gezegd – designerdrugs in dit Damoclesbeleid wordt aangesloten bij het regime dat in de handhavingsmatrixen is bepaald voor harddrugs. Hierbij wordt opgemerkt dat lijst IA vooralsnog niet in de Aanwijzing Opiumwet is verwerkt. De stoffen die genoemd zijn onder lijst IA vallen daarmee dus niet onder de gedoogconstructie voor gebruikers, zoals dit voor bepaalde stoffen van Lijst II geldt. Dat kan in de toekomst veranderen.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.1
Artikel 2.1.1
Verkoop, aflevering, verstrekking dan wel daartoe aanwezig zijn (handelshoeveelheid)
Onderdeel van Damoclesbeleid gemeente Barneveld