Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.12

Specifieke criteria voor ondersteuning in de vorm van maatwerk ondersteuning

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Kampen

De maatwerk ondersteuning die de gemeente verstrekt, voldoet aan een aantal criteria. Deze criteria zijn hieronder nader toegelicht. 3.12.1 Goedkoopst compenserend De gemeente verstrekt alleen de goedkoopst compenserende vorm van ondersteuning. Het woord ‘compenserende’ wil zeggen dat het moet gaan om ondersteuning die volgens objectieve maatstaven verantwoord, toereikend en nodig is. Dit houdt in dat de ondersteuning van voldoende kwaliteit moet zijn en dat de ondersteuning passend moet zijn voor de inwoner. De ondersteuning moet de beperkingen van de inwoner voldoende oplossen. Ook moet de ondersteuning nodig zijn. Alleen het wenselijk zijn van ondersteuning of het veel baat hebben bij ondersteuning is niet voldoende. De gemeente bepaalt (eventueel met behulp van een medisch advies) welke vorm van ondersteuning er in een bepaalde situatie compenserend (en dus ook nodig) is. De gemeente gaat bij de verstrekking van maatwerk ondersteuning uit van de goedkoopste vorm van ondersteuning die compenserend is. Hierbij kan ook gekeken worden naar de kosten van de ondersteuning op de langere termijn. 3.12.2 Langdurig noodzakelijk De gemeente verstrekt in principe alleen maatschappelijke ondersteuning als deze langdurig noodzakelijk is. Langdurig noodzakelijk betekent dat de ondersteuning niet voor een korte periode, maar een langere periode nodig is. De gemeente gaat ervan uit dat de ondersteuning ongeveer 6 maanden of langer nodig is. Deze termijn is afgestemd op de termijn waarop een inwoner voor een korte tijd een hulpmiddel kan lenen op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Op basis van de Zvw kan een inwoner maximaal 6 maanden een hulpmiddel lenen uit het hulpmiddelendepot. Soms kan de gemeente besluiten niet vast te houden aan het criterium dat een voorziening 6 maanden nodig moet zijn. Bij een inwoner die terminaal ziek is en een levensverwachting heeft van minder dan 6 maanden kan langdurig noodzakelijk bijvoorbeeld ook een periode korter dan 6 maanden zijn. Ook bij hulp bij het huishouden kan voor een kortere periode hulp worden ingezet. Zie meer hierover in hoofdstuk 7. 3.12.3 Niet algemeen gebruikelijk De gemeente verstrekt alleen maatwerk ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening voor de inwoner niet algemeen gebruikelijk is. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen die iedereen in principe zelf moet betalen. Het verstrekken van deze voorzieningen aan mensen met een beperking op grond van de Wmo is dan niet redelijk en komt niet overeen met het doel van de wet. De gemeente hanteert geen standaardlijst met algemeen gebruikelijke voorzieningen. Om te beoordelen of de voorziening voor een inwoner algemeen gebruikelijk is, onderzoekt de gemeente altijd de persoonlijke situatie van de inwoner. Er zijn voorzieningen die, na een onderzoek, vaak als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Voorbeelden hiervan zijn: een hendel mengkraan, een tandem of een douchestoel. Bij de beoordeling van de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is of niet, dient de voorziening te voldoen aan de volgende criteria: De voorziening is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking; De voorziening is daadwerkelijk beschikbaar; De voorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de client tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; De voorziening kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau. Het toepassen van het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ kan ook te maken hebben met een reguliere vervanging/renovering van zaken. Immers, algemeen gebruikelijke voorzieningen worden door mensen met en zonder beperkingen vervangen als zij zijn afgeschreven. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Kampen staan de afschrijvingstermijnen van voorzieningen. 3.12.4 De voorziening is nog niet eerder verstrekt of nog niet afgeschreven De gemeente verstrekt geen ondersteuning in de vorm van een voorziening als de voorziening al eerder is verstrekt op grond van een wettelijke regeling en de afschrijvingstermijn nog niet is verstreken. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of verstrekte voorziening niet meer passend is (en dus niet meer compenserend). Of als de voorziening verloren is gegaan of schade heeft opgelopen als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner toe te rekenen zijn, of als de inwoner de gemeente (gedeeltelijk) tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder kan bijvoorbeeld worden verstaan dat de inwoner een beroep kan doen op een verzekering, zoals bijvoorbeeld een opstalverzekering. Ook kan het redelijk zijn dat de gemeente eist dat de inwoner, als iemand anders de schade heeft veroorzaakt, de schadeveroorzaker aansprakelijk stelt. Als een inwoner door onzorgvuldig gebruik of misbruik meer reparaties dan gebruikelijk nodig heeft voor bijvoorbeeld een scootmobiel, dan schendt de gebruiker de verplichtingen die verbonden zijn aan de verstrekte voorziening. Het spreekt voor zich dat de schade of kosten voor reparatie die rechtstreeks de schuld zijn van de inwoner niet wordt vergoed door de Wmo 2015. De inwoner zal deze kosten in principe zelf moeten betalen. De gemeente kan de leverancier van een voorziening vragen of de schade is veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik. De gemeente verstrekt geen nieuwe voorziening als de gemeente al eerder een voorziening heeft verstrekt die al wel afgeschreven is, maar nog steeds passend is en in goede staat is. De voorziening is dan nog steeds compenserend. 3.12.5 De voorziening is nog niet door de inwoner gerealiseerd In de Verordening sociaal domein staat dat de gemeente in principe alleen ondersteuning in de vorm van een voorziening verstrekt als de voorziening nog niet gerealiseerd of aangeschaft is voordat de gemeente een besluit genomen heeft. Is de voorziening al wel voor dit moment gerealiseerd, dan ervaart de inwoner geen beperkingen meer op het moment van besluiten en hoeft er daarom geen voorziening verstrekt te worden. Ook kan de gemeente dan niet meer vaststellen of er überhaupt een noodzaak tot verstrekking van de voorziening was en wat de goedkoopst compenserende oplossing was geweest. Dat de inwoner de regels niet goed kende en daarom de voorziening alvast gerealiseerd heeft, kan niet als excuus gebruikt worden. Een uitzondering op deze regel geldt als de voorziening is gerealiseerd voor de melding en/of de aanvraag, maar de gemeente nog wel de noodzaak kan vaststellen. De gemeente kan dan alsnog overgaan tot het verstrekken van de goedkoopst compenserende voorziening. 3.12.6 De voorziening is grotendeels op de inwoner gericht die ondersteuning nodig heeft De gemeente verstrekt een voorziening aan de inwoner om zijn beperkingen te compenseren. De voorziening moet dus bedoeld zijn voor één inwoner. Bij de beoordeling of een voorziening compenserend is, houdt de gemeente wel rekening met de gezinssituatie van de inwoner. De gezinssituatie van de inwoner behoort namelijk tot de individuele omstandigheden van de inwoner die meegewogen worden bij de beoordeling van de aanvraag. 3.12.7 De voorziening heeft niet alleen een therapeutisch doel De gemeente verstrekt alleen een voorziening als deze niet alleen een therapeutisch doel heeft. De gemeente verstrekt dus geen voorziening als de voorziening alleen bedoeld is om de inwoner meer te laten bewegen vanwege gezondheidsredenen. 3.12.8 Ondersteuning/voorziening in voorzienbare situaties De gemeente verstrekt alleen ondersteuning om de beperkingen van een inwoner te verminderen of weg te nemen als het niet al te voorzien was dat de ondersteuning verstrekt moest gaan worden. Deze voorzienbaarheid heeft vooral betrekking op de beperkingen van een inwoner. Als iemand met een beperking waardoor hij geen trappen kan lopen bijvoorbeeld verhuist naar een huis met veel trappen, dan verstrekt de gemeente geen voorziening om deze beperking te verminderen. De inwoner heeft in dat geval namelijk een eigen verantwoordelijkheid om in een voor hem toegankelijke woning te gaan wonen. De inwoner moet rekening houden met zijn beperkingen of met de ontwikkeling van zijn al aanwezige beperkingen. Deze voorzienbaarheid strekt niet zover dat een inwoner alvast rekening moet houden met het ouder worden en mogelijk nog te ontwikkelen daarbij behorende beperkingen.

Rechtspraak bij dit artikel