Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 2

Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht

Onderdeel van Verordening Jeugdhulp Noordwijk 2026

1.. Jeugdigen en/of ouder(s) komen in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan de ondersteuning vanuit het sociale netwerk het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 2.. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige de mate van hulp bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige 4.. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut. Indien dit het geval is worden voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen in beginsel geacht aanwezig te zijn, tenzij uit het onderzoek blijkt dat gelet op de individuele omstandigheden ondersteuning noodzakelijk is. 5.. Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp voor de jeugdige. 6.. Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt, zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat weergegeven. Het college maakt hierbij onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties: Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. 7.. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 8.. Bij de beoordeling in langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond) of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen de woonsituatie de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet) is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders wordt ingebracht 9.. Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 10.. Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende: Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp aan de jeugdige. Als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de hulp van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen. Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen. Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht. Het verlenen van hulp aan je kind gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten. Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van overbelasting. Wanneer sprake is van (dreigende) overbelasting van ouders of het sociaal netwerk, is het uitgangspunt dat ondersteuning (gedeeltelijk) door een andere zorgverlener wordt geboden.

Rechtspraak bij dit artikel