Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 3.

Afwegingskader vervoersvoorziening

Onderdeel van Nadere regels ter uitvoering van de verordening jeugdhulp gemeente Hoeksche Waard

1.. Eerst geldt het uitgangspunt uit artikel 11 lid 5 verordening: als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. 2.. Wanneer de noodzaak van het inzetten van een vervoersvoorziening is aangetoond, is de onderstaande rangorde van toepassing, waarbij eerst optie a in aanmerking komt, dan pas optie b en zo verder, tot in het uiterste geval optie d. zelfstandig reizen met het openbaar vervoer, fiets of ander vervoermiddel, mits er geen sprake is van: beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige; het ontbreken van openbaar vervoer; zelfstandig leren reizen met het openbaar vervoer, fiets of ander vervoermiddel, onder begeleiding van een ouder/netwerk/vrijwilliger/hulpverlener; onder begeleiding van een ouder/netwerk/vrijwilliger/hulpverlener met het openbaar vervoer reizen, mits er geen sprake is van: beperkingen waardoor jeugdige niet onder begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen; het ontbreken van openbaar vervoer; of ernstige overbelasting van de ouder(s) vanwege het begeleiden van de jeugdige door henzelf of anderen. de inzet van een vergoeding per kilometer als bedoeld in artikel 11, lid 6, of een vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 11, lid 7, van de verordening jeugdhulp. 3.. Indien de inzet bestaat uit een vergoeding per kilometer, dan geldt aanvullend de volgende voorwaarde: enkel de beladen kilometers worden berekend en vergoed zoals bepaald in artikel 11 lid 6 van de verordening jeugdhulp;

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel