De aanbieder doet, behalve wanneer de toezichthouder vanwege de aard van de melding of andere informatie anders besluit, binnen zes weken zelf onderzoek naar:
de relevante feiten en omstandigheden van de calamiteit of het geweld;
de kwaliteit van de voorziening;
de verbetermogelijkheden.
De toezichthouder kan naar aanleiding van een gemotiveerd verzoek van de aanbieder deze
termijn verlengen.
De aanbieder stelt de toezichthouder binnen de vastgestelde onderzoekstermijn (6 weken) schriftelijk, in overeenstemming met de verwachtingen uit de bijlage van de brief ‘opdracht intern onderzoek’ (opgenomen als bijlage 2), op de hoogte van het verrichte onderzoek, de resultaten en de verbetermaatregelen.
De toezichthouder beoordeelt het rapport van het zelfonderzoek op de volgende vragen:
of de calamiteit of het incident door aanbieder voldoende onderzocht zijn;
of de maatregelen die worden voorgesteld voldoende aannemelijk maken dat iets dergelijks in de toekomst niet meer gebeurt.
Indien de toezichthouder het noodzakelijk acht plant deze een overleg in met de aanbieder (onderzoekscommissie) om het rapport van het zelfonderzoek en de aanbevelingen van de toezichthouder te bespreken.
Wanneer de toezichthouder constateert dat de aanbieder het onderzoek zorgvuldig heeft uitgevoerd, en voldoende maatregelen heeft genomen of gaat nemen om herhaling te voorkomen, beëindigt de toezichthouder het onderzoek en brengt met een rapport de partijen op de hoogte van het verrichte onderzoek en de resultaten. Hierbij worden de stappen in hoofdstuk 3 gevolgd.
Hoofdstuk 2. › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.2
. Zelfonderzoek aanbieder
Onderdeel van Protocol onderzoek calamiteiten en meldingen van geweld incidenten Wmo