**1..** Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 intrekken indien:
niet binnen één jaar nadat de beschikking is afgegeven, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging, omzetting of woningvorming;
de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;
niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden of voorschriften;
er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;
de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken;
naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de vergunning niet aan de algemene gedragsregels uit de Wet goed verhuurderschap voldoet; of
het niet aannemelijk is dat wordt voldaan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
**2..** Wanneer de omzettings- of onttrekkingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste en derde lid, is ingetrokken, dient de woonruimte die respectievelijk is onttrokken of is omgezet in onzelfstandige woonruimten weer als zelfstandige woonruimte in gebruik te worden genomen. In het geval van een situatie als bedoeld in artikel 3.1.2, is daarna opnieuw een vergunning vereist.
**3..** Burgemeester en wethouders kunnen verleende voorraadvergunningen wijzigen en verleende vergunningen intrekken indien veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten wijziging nodig maken.
HOOFDSTUK 3 › Paragraaf 3.3
Artikel 3.3.5
Intrekken vergunning
Onderdeel van Huisvestingsverordening Diemen 2026