De gronden waarop een aanvraag om een vergunning geweigerd kan worden staan vermeld in de artikelen 1:8 en 6:31 van de APV. Een aanvraag om een standplaatsvergunning kan worden geweigerd:
in het belang van de openbare orde;
in het belang van de openbare veiligheid;
in het belang van de volksgezondheid;
in het belang van de bescherming van het milieu;
indien er sprake is van strijd met het Omgevingsplan (in dit geval wordt de vergunning altijd geweigerd)
indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
indien een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van omstandigheden in de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
Hieronder worden deze weigeringsgronden nader uitgewerkt.
Openbare orde en openbare veiligheid
De weigeringsgronden openbare orde en openbare veiligheid hebben nauw verband met elkaar en worden daarom samen uitgelegd. Onder openbare veiligheid wordt onder andere de verkeersveiligheid verstaan. Standplaatsen waar goederen te koop worden aangeboden hebben in de praktijk een verkeer aantrekkend karakter.
Door dit verkeer aantrekkend karakter ontstaan mogelijk ongewenste oversteekbewegingen door voetgangers, kunnen looproutes worden geblokkeerd en kan ontoelaatbaar rijwielverkeer in voetgangersgebieden ontstaan. Een standplaats kan daarnaast (te) veel parkeerplaatsen in beslag nemen, waardoor parkerende en geparkeerde auto’s overlast in de omgeving kunnen veroorzaken. In het belang van de verkeersveiligheid is het daarom niet mogelijk om overal een standplaats in te nemen.
In het kader van openbare orde en openbare veiligheid wordt gestreefd naar een spreiding van standplaatsen.
Voor de (brand)veiligheid wordt verwezen naar het (landelijk geldend) “Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, BGBOP”, waaraan ook de standplaatsen moeten voldoen.
Volksgezondheid
De algemene weigeringsgrond uit artikel 1:8 van de APV met betrekking tot het belang van de volksgezondheid, is met name van toepassing op evenementen. Denk hierbij aan de verkoop van etenswaren, het aanbieden van diensten zoals piercen en tatoeëren. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de richtlijnen van de NVWA, GGD en GHOR. Voor wat betreft de standplaatsen is er geen nadere uitleg ten aanzien van deze weigeringsgrond.
Bescherming van het milieu
Met name standplaatsen waar etenswaren voor directe consumptie bereid worden, hebben een impact op het milieu. Er wordt vaak gebakken wat kan leiden tot stank of geuroverlast en daarnaast komen afvalstoffen vrij, zoals bijvoorbeeld afvalwater en verpakkingen van verkochte etenswaren. Bij het verlenen van vergunningen en voorschriften die aan vergunningen worden verbonden wordt rekening gehouden met het beschermen van het milieu.
Daarnaast kan een standplaats worden aangemerkt als een milieu belastende activiteit (MBA) zoals bedoeld in de Omgevingswet/ Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) als het verkoopmiddel met een zekere regelmaat wordt opgesteld en in werking wordt gebracht. Wanneer hiervan sprake is, wordt niet in deze beleidsregels geregeld, maar is bepaald in de jurisprudentie op grond van de Omgevingswet/ Het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL).
Redelijke eisen van welstand
De weigeringsgrond kan gehanteerd worden indien een of meer standplaatsen worden ingenomen, op een zodanige plaats dat het straatbeeld ernstig verstoord wordt. Met deze weigeringsgrond kan niet alleen verkapte marktvorming worden tegengegaan, ook wordt daarmee het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles gewaarborgd.1 VNG, Toelichting op de model APV
Voorzieningenniveau
In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare orde-belang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten, die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in een deel van de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften (bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, ECLI:NL:RVS:2016:49).
Ook de Dienstenrichtlijn staat een redelijk voorzieningenniveau niet toe als weigeringsgrond voor standplaatsen, omdat dit wordt beschouwd als een economische, niet toegestane, belemmering voor het vrij verkeer van diensten (artikel 14, punt 5, van de Dienstenrichtlijn). Op grond van de Dienstenrichtlijn mag wel een kwantitatieve of territoriale beperking worden gesteld, mits:
geen sprake is van discriminatie naar nationaliteit of statutaire zetel (discriminatieverbod);
er sprake is van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheid);
de maatregelen geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en niet verdergaan dan nodig is en het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt (evenredigheid) (artikel 15 Dienstenrichtlijn).2 VNG, Toelichting op de model APV
Deze weigeringsgrond is een belangrijke basis voor een aantal van de volgende beleidsregels, zoals het maximumstelsel en de regels over het verdelen van schaarse vergunningen. Nu zal het voorzieningenniveau op microniveau en op korte termijn in Valkenswaard niet snel in gevaar komen. Dat wil zeggen dat door de komst van bijvoorbeeld een standplaats met kaas, het voorzieningenniveau voor de consument die kaas wil kopen niet in gevaar zal komen, omdat andere winkeliers met kaas niet langer kunnen voortbestaan door de aanwezigheid van een standplaats.
Maar als je kijkt naar de langere termijn en niet specifiek naar het voorzieningenniveau van een bepaalde branche, maar naar het detailhandel aanbod in brede zin, dan is het wel degelijk van belang om kritisch naar de standplaatslocaties te kijken en deze te laten aansluiten bij het doel om een compact centrum te realiseren, om het voorzieningenniveau op peil te houden. Dat heeft geleid tot een aantal belangrijke beleidskeuzes, zoals het laten vervallen van standplaatslocaties buiten het compacte centrum en het winkelcentrum Dommelen. Het is immers niet logisch om de detailhandel te concentreren in een compact centrum en voor ambulante handel een tegengestelde ‘koers te varen’ en die overal toe te staan.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.1
Artikel 2
Nadere uitleg weigeringsgronden
Onderdeel van Beleidsregels standplaatsen Valkenswaard 2026-2030