De vergoeding voor overwerk geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:2:1, doch met inachtneming van het volgende:
de vergoeding wordt slechts verleend, indien aan het overwerk een uitdrukkelijke opdracht ten grondslag ligt gegeven door het hoofd van dienst of - binnen een door deze bepaald kader - door het sectordirecteur c.q. hoofd van een stafafdeling als bedoeld in artikel 26:1:1:1;
de vergoeding wordt tevens verleend voor overwerk waarvoor de onder I genoemde uitdrukkelijke opdracht niet noodzakelijk is, te weten het
overwerk, dat voortvloeit uit een storings- of consignatiedienst;
overwerk in verband met het bijwonen van commissie- en andere vergaderingen, hoorzittingen en dergelijke, aan welke de ambtenaar als secretaris of notulist is verbonden of welke hij dient bij te wonen voor het verlenen van ambtelijke bijstand;
overwerk, waaraan ter wille van een goede dienstverlening een structureel karakter is verbonden.