Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 6:2:1:1

Vermeerdering vakantieuren artikel 6:2:1, leden 3 en 4

Onderdeel van CAR/UWO

Bij indiensttreding vóór 1 januari 1997 wordt de duur van de vakantie van de ambtenaar, bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:2:0:1, vermeerderd met: 21,6 uren bij een leeftijd van 18 jaar en jonger; 14,4 uren bij een leeftijd van 19 jaar; 7,2 uren bij een leeftijd van 20 jaar; 7,2 uren per jaar bij een leeftijd van 30 tot en met 39 jaar; 14,4 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 15 jaar of bij een leeftijd van 40 tot en met 44 jaar; 21,6 uren per jaar bij een leeftijd van 45 tot en met 49 jaar 28,8 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 25 jaar of bij een leeftijd van 50 tot en met 54 jaar; 36,0 uren per jaar bij een leeftijd van 55 tot en met 59 jaar; 43,2 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 40 jaar of bij een leeftijd van 60 jaar en ouder. Bij indiensttreding op of ná 1 januari 1997 wordt de duur van de vakantie van de ambtenaar, bedoeld in de artikelen 6:2 en 6:2:0:1, vermeerderd met: 7,2 uren bij een leeftijd van 18 jaar en jonger; 7,2 uren per jaar bij een leeftijd van 45 tot en met 49 jaar; 14,4 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 25 jaar of bij een leeftijd van 50 tot en met 54 jaar; 21,6 uren per jaar bij een leeftijd van 55 tot en met 59 jaar; 28,8 uren per jaar bij een diensttijd in overheidsdienst van 40 jaar of bij een leeftijd van 60 jaar en ouder. De in de leden 1 en 2 bedoelde vermeerderingen worden voor het eerst genoten in het jaar, waarin de aangegeven diensttijd of de leeftijd wordt bereikt. De in artikel 6:2:1, lid 4, bedoelde vermeerdering vindt plaats indien er sprake is van een vastgelegd rooster en het aantal te werken uren. Onder "regelmatig" en "in belangrijke mate" als bedoeld in artikel 6:2:1, lid 4 wordt achtereenvolgens verstaan: regelmatig er is sprake van vaste werktijden (bij akte vastgesteld) of werktijden bij rooster vastgesteld; in belangrijke mate het aantal te werken uren op onregelmatige tijden dient minimaal de helft te bedragen van de voor de ambtenaar vastgestelde totale arbeidsduur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel