Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 4.17

Redenen om een maatwerkvoorziening te weigeren

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Oss 2026

Het college weigert een maatwerkvoorziening als: de inwoner geen ingezetene is van de gemeente Oss, tenzij het om beschermd wonen of maatschappelijke opvang gaat; of de inwoner op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met een algemene of algemeen gebruikelijke voorziening, met een voorliggende voorziening, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie; of de voorziening: niet langdurig noodzakelijk is om de beperkingen van de inwoner te compenseren; of niet specifiek op een individu is gericht; of niet de goedkoopst adequate voorziening is; of enkel een therapeutisch doel heeft en niet (direct) bijdraagt aan de zelfredzaamheid en/of participatie; of anti-revaliderend werkt, dat wil zeggen dat de voorziening de situatie van de inwoner niet verbetert, maar in stand houdt of verslechtert. de inwoner onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn ondersteuningsbehoefte; of de maatwerkvoorziening, gezien de beperkingen van de inwoner, voor zichzelf of anderen onveilig is, niet passend is en/of gezondheidsrisico’s met zich meebrengt; of het college van oordeel is dat een inwoner zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met een redelijkerwijs genomen beslissing had kunnen voorkomen; of er sprake is van een verzoek tot vervanging van een eerder geboden voorziening terwijl de eerder geboden voorziening nog voldoende ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de inwoner en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven, tenzij: de eerder verstrekte maatwerkvoorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen; de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; of de afschrijvingstermijn van een eerder verstrekte passende maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een pgb, is verstreken, maar deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt; of de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie zoals gesteld in artikel 2.3.3 van de wet waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; de inwoner niet of onvoldoende meewerkt aan behandelingen die in redelijkheid gevraagd kunnen worden, en hierdoor onnodig een beroep of een te zwaar beroep op maatschappelijke ondersteuning doet; of er ondersteuning is aangevraagd die zal worden verleend buiten Nederland.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel