**1..** Statenleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij aanvang van de zitting als één fractie beschouwd.
**2..** Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de Staten deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste Statenvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie zal voeren.
**3..** De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.
**4..** Als een of meer Statenleden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of als een of meer Statenleden en/of commissieleden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.
**5..** Als een of meer Statenleden van een of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden, is de naamvoering van deze fractie gelijk aan de achternaam van de fractievoorzitter en voor het overige voldoet deze fractie aan de vereisten uit artikel G2 van de Kieswet. De nieuwe naamvoering wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende Statenvergadering.
Eed (verklaring en belofte)
Provinciewet art. 14-1: Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van Provinciale Staten in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed (verklaring en belofte) af: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van Provinciale Staten benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van Provinciale Staten naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)”.
Voor een commissielid luidt de eed (verklaring en belofte) als volgt: “Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van een commissie benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in deze functie te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als adviseur van het provinciebestuur naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)”.
Hoofdstuk 2
Artikel 4
Fracties
Onderdeel van Reglement van Orde Provinciale Staten provincie Utrecht 2026