Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8

Artikel 60

Verslag en verantwoording bij lidmaatschap van andere organisaties

Onderdeel van Reglement van Orde Provinciale Staten provincie Utrecht 2026

1.. Een Statenlid of een lid van het college, dat door de Staten is aangewezen tot lid van het (algemeen) bestuur van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen, heeft het recht verslag te doen over zaken die in het (algemeen) bestuur aan de orde zijn geweest. De bespreking van dit verslag kan plaatsvinden in de betreffende Statencommissie. 2.. Ieder Staten- of commissielid kan aan het lid als bedoeld in lid 1 mondelinge of schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van deze vragen, vastgesteld in art. 49 en 51, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.. Wanneer een Statenlid het lid als bedoeld in lid 1 ter verantwoording wil roepen over zijn wijze van functioneren in het betreffende (algemeen) bestuur, besluiten de Staten over het toestaan daarvan. 4.. Indien het door de Staten aangewezen lid van het (algemeen) bestuur van een openbaar lichaam of een ander gemeenschappelijk orgaan niet langer het vertrouwen van de Staten heeft, wordt in een besloten vergadering over zijn/haar ontslag beraadslaagd. 5.. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de Staten één van zijn leden of een lid van het college heeft benoemd of aangewezen. Verantwoording; inlichtingen Provinciewet art. 167-1: Gedeputeerde staten en elk van hun leden afzonderlijk zijn aan Provinciale Staten verantwoording verschuldigd over het door hen gevoerde bestuur. Art. 167-2: Zij geven Provinciale Staten alle inlichtingen die Provinciale Staten voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. Art. 167-3: Zij geven Provinciale Staten mondeling of schriftelijk de door één of meerdere leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang. Art. 167-4: Zij geven Provinciale Staten vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder e, f en h, indien Provinciale Staten daarom verzoeken of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie. In het laatste geval nemen Gedeputeerde Staten geen besluit dan nadat Provinciale Staten hun wensen en bedenkingen ter zake ter kennis van Gedeputeerde Staten hebben kunnen brengen. Art. 167-5: Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid Provinciale Staten zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het ter zake genomen besluit.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel