Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4:

Artikel 13.

Criteria voor een maatwerkvoorziening

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 Gemeente Valkenburg aan de Geul

1.. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.. De volgende soorten maatwerkvoorzieningen kunnen worden onderscheiden: a.. Hulp bij het huishouden b.. Woonvoorzieningen c.. Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en herinrichting d.. Lokale vervoersvoorzieningen e.. Rolstoelvoorzieningen f.. Hulpmiddelen g.. Begeleiding individueel h.. Begeleiding groep i.. Persoonlijke verzorging in de vorm van begeleiding bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen j.. Kortdurend verblijf k.. Beschermd wonen en (maatschappelijke) opvang 3.. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo2015): a.. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of b.. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 6 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4.. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 5.. Als maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college soortgelijke verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a.. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b.. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of als eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 6.. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Het college kan in het besluit nadere regels stellen ten aanzien van de beoordeling van de aanspraak. 7.. Bij het bepalen van de omvang van hulp bij het huishouden wordt toepassing gegeven aan het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 zoals opgesteld door bureau HHM en opgenomen in het Besluit nadere regels. 8.. Geen woonvoorziening wordt verstrekt als: a.. de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. b.. de woonruimte niet geschikt is voor permanente bewoning. c.. de noodzaak voor een voorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen noodzaak was. Van noodzaak is in beginsel sprake indien deze arbeid gerelateerd is, voortkomt uit scheiding of uit belemmerende gezinsomstandigheden. d.. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college. e.. de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 9.. Voor zover belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning waarbij de verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden (primaat van verhuizing). Deze beoordeling vindt alleen plaats indien de nu en in de toekomst verwachte maatwerkvoorzieningen een bedrag van € 10.000,- te boven gaat, rekening houdend met nu bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. Het college kan in voorkomende gevallen een verhuisindicatie en een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuis- en inrichtingskostenkosten. Het in dit lid genoemde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari aangepast met maximaal de jaarmutatie oktober van de inputprijsindex bouwkosten nieuwbouwwoningen (laatst vastgestelde basisjaar) zoals gepubliceerd door het CBS. 10.. Het primaat van verhuizing, zoals bedoeld in lid 9 wordt niet toegepast indien: a.. naar verwachting van het college er niet binnen een tijdsbestek van 1 jaar een woning beschikbaar komt waar naartoe de belanghebbende kan verhuizen, tenzij uit onderzoek blijkt dat het medisch verantwoord is om de in dit lid genoemde termijn te verruimen; b.. er een contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische en/of sociale redenen; c.. de woning waarnaartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning; d.. de woning waarnaartoe kan worden verhuisd zich niet binnen de gemeentegrenzen bevindt. 11.. Ten aanzien van het oplossen van beperkingen ten aanzien van het zich lokaal verplaatsen, geldt het volgende: a.. Een vervoersvoorziening stelt de aanvrager in staat zich te verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving in een straal van 25 kilometer rond de woning met in beginsel een maximum van 1.500 kilometer per jaar. b.. Het primaat ligt bij het collectief vraagafhankelijk vervoer (“Omnibuzz”). Het college hanteert bij indicatiestelling de Richtlijn indicatiestelling Collectief Vraagafhankelijk Vervoer “Omnibuzz” zoals opgenomen in het Besluit nadere regels. Dit vervoer wordt uitgevoerd conform de actuele versie van het vervoerreglement van Omnibuzz, welke kenbaar is gemaakt aan de gebruiker. Op kalenderjaarbasis wordt een reisbudget van maximaal 590 zones toegekend aan een cliënt, rekening houdend met de grens van maximaal 5 reiszones per rit. In afwijking hierop kan op aanvraag van een cliënt en na onderzoek door het college in bijzondere individuele gevallen een hoger reisbudget worden toegekend door het college. 12.. Bij de (elektrisch aangedreven) individuele vervoersvoorziening, welke verstrekt is als maatwerkvoorziening, geldt voor een stallingsplek: a.. Er moet een brandveilige stallingsplek beschikbaar zijn. b.. Medewerking is vereist aan het realiseren van een geschikte individuele of gezamenlijke stalling. c.. Het college kan een aanvraag voor een individuele vervoersvoorziening weigeren of intrekken als er geen geschikte stalling in of rond de woning mogelijk is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel