Eerst geldt het uitgangspunt uit artikel 11 lid 5 verordening: als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
Wanneer de noodzaak van het inzetten van een vervoersvoorziening is aangetoond, wordt uit onderstaande rangorde een keuze gemaakt, waarbij voor de best passende eerst beschikbare optie wordt gekozen en waarbij eerst optie a in aanmerking komt, dan pas optie b en zo verder, tot in het uiterste geval optie e.
zelfstandig reizen met het openbaar vervoer, fiets of ander vervoermiddel, mits er geen sprake is van:
beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige;
het ontbreken van openbaar vervoer;
zelfstandig leren reizen met het openbaar vervoer, fiets of ander vervoermiddel, onder begeleiding van een ouder/netwerk/vrijwilliger/hulpverlener;
onder begeleiding van een ouder/netwerk/vrijwilliger/hulpverlener met het openbaar vervoer reizen, mits er geen sprake is van:
beperkingen waardoor jeugdige niet onder begeleiding met het openbaar vervoer kan reizen;
het ontbreken van openbaar vervoer; of
ernstige overbelasting van de ouder(s) vanwege het begeleiden van de jeugdige door henzelf of anderen.
de inzet van een vervoersvoorziening conform artikel 11 lid 6 en 7 van de verordening jeugdhulp.
Indien de inzet van de vervoersvoorziening een km-vergoeding is, dan gelden aanvullend de volgende voorwaarde:
Bij de producten dagbehandeling en dagbesteding worden zowel de onbeladen als beladen kilometers gerekend. Bij andere producten worden alleen de beladen kilometers gerekend
Hoofdstuk 2.
Artikel 3.
Afwegingskader vervoersvoorziening
Onderdeel van Nadere regels Jeugdhulp gemeente Molenlanden 2026