**1..** De burgemeester beoordeelt per individueel geval of sprake is van slecht levensgedrag.
**2..** De beoordeling vindt plaats aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang.
**3..** Bij de beoordeling betrekt de burgemeester in ieder geval: a. de aard en ernst van de gedraging; b. het aantal gedragingen; c. het tijdsverloop sinds de gedraging; d. de mate waarin sprake is van recidive of patroonvorming; e. de houding van de betrokkene ten opzichte van de gedraging; f. de relatie tussen de gedraging en de aangevraagde of vergunde activiteit; g. de belangen die het betreffende vergunningstelsel beoogt te beschermen.
**4..** De burgemeester motiveert waarom de betrokken feiten en omstandigheden relevant zijn voor de vergunning of activiteit en waarom deze feiten en omstandigheden, ondanks eventueel tijdsverloop, nog iets zeggen over de betrouwbaarheid van de betrokkene.
Hoofdstuk 3:
Artikel 3.1:
Algemene beoordelingswijze
Onderdeel van Beleidsregel beoordeling levensgedrag gemeente Voorschoten 2026