1. Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of participatie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie daarvan wordt toegepast en volgt daarbij de Participatievisie.
2. Het bestuursorgaan past bij participatie onder bijzondere regelgeving zoveel mogelijk deze verordening en de Participatievisie toe. Onder de Omgevingswet gaat het daarbij om het vaststellen of wijzigen van:
a. de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet;
b. het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;
c. een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet.
Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.
3. Er vindt geen participatie plaats als:
a. participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is;
b. de uitkomst van participatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht;
c. de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen;
d. sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;
e. het interne aangelegenheden van de gemeente betreft;
f. het de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet betreft;
g. er sprake is van uitvoering van door de gemeenteraad vastgestelde regelgeving, waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft.