Naar hoofdinhoud

Artikel 4.2.1.

Bestuursdwang op grond van art. 5:29 en 5:30 Awb

Onderdeel van Beleidsregels hinderlijke en/of gevaarlijke honden

De burgemeester is op grond van hoofdstuk 5 van de Awb bevoegd overtredingen van wettelijke voorschriften te beletten of te beëindigen. Zo nodig kunnen er hiertoe spoedmaatregelen worden genomen (5:31 Awb). Het bevoegde bestuursorgaan besluit tot inbeslagname van de hond als: de hond door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen als gevaarlijk waarbij een kort aanlijngebod en/ of een muilkorfgebod van de hond is opgelegd op grond van artikel 2:59 APV en vervolgens de hond een nieuw bijtincident veroorzaakt, waarbij sprake is van ernstig letsel of ernstige gevolgen en direct optreden wordt verwacht. Bij bijtincidenten is de situatie veelal dermate spoedeisend dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen en dit dus achteraf plaatsvindt. Spoedeisende bestuursdwang kan bijvoorbeeld worden toegepast wanneer inbeslagname van de hond noodzakelijk is, maar er op het moment van de overtreding niet direct sprake is van verstoring van de openbare orde. De kosten van bestuursdwang zijn op grond van artikel 5:25 Awb verhaalbaar op de overtreder. In dit geval de eigenaar/houder van de hond.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel