De algemene bijstand is bedoeld om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De algemene bijstandsnorm is daarop afgestemd. Onder noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur. De Rijksoverheid stelt elk jaar de hoogte van de minimum basishuur vast.
In de volgende situaties gaat het college ervan uit dat een belanghebbende die de bijstandsnorm zoals in artikel 21 van de wet ontvangt, door diens woonsituatie, lagere algemene kosten van bestaan heeft dan waar de algemene bijstand op is afgestemd:
bij het niet aanhouden van een woonruimte;
bij bewoning van een woning waarvan de woonkosten lager zijn dan de minimum basishuur;
als een derde langer dan 6 maanden (een deel van) de woonkosten betaalt waardoor het verschuldigde deel van de woonkosten lager is dan de minimum basishuur;
bij het niet hebben van woonlasten of als een derde langer dan 6 maanden de woonlasten betaalt;
De verlaging in verband met de woonsituatie, als bedoeld in artikel 27 van de wet, bedraagt:
indien de belanghebbende (zelf) geen woonkosten betaalt: 10% van de gehuwden norm.
indien de woonkosten van de belanghebbende (zelf) minder dan 10% van de gehuwden norm zijn: het verschil tussen de daadwerkelijke woonkosten en 10% van de gehuwden norm.
indien belanghebbende (zelf) geen woonlasten betaalt: 9% van de gehuwdennorm.
indien belanghebbende (zelf) geen woonkosten betaalt en geen woonlasten heeft; 20 % van de gehuwdennorm.
Als de woonkosten wijzigen, bijvoorbeeld doordat bij een voorziening eerst geen en later wel een eigen bijdrage voor woonkosten wordt gevraagd, kan het college de bijstandsnorm aanpassen aan de gewijzigde situatie. Daarbij moet duidelijk zijn dat de eigen bijdrage betrekking heeft op woonkosten.
Toelichting:
Niet aanhouden van een woonruimte
Lid 1, sub a; wanneer er geen woonruimte wordt aangehouden, bijvoorbeeld omdat iemand dakloos is, gaat het college ervan uit dat deze persoon geen woonkosten draagt. We gaan daarbij uit van de feitelijke situatie. Als de inwoner aannemelijk maakt dat er wel sprake is van kosten voor onderdak ondanks dat er geen woning wordt aangehouden besluit het college op basis van die situatie of de woonkosten onder de basishuur liggen.
Noodzakelijke kosten
Onder de noodzakelijke kosten vallen woonkosten tot de minimum basishuur omdat dat het deel van de huur of woonkosten is dat iemand zelf moet betalen, ook als deze maximale huurtoeslag krijgt. Wanneer iemand deze kosten niet maakt heeft diegene lagere kosten dan waar de algemene bijstandsnorm voor bedoel is.
Lage woonkosten
Een woning waaraan lagere kosten dan de basishuur aan verbonden zijn kan bijvoorbeeld zijn een gekraakte woning, of een woning van een derde die geen of lage kosten of bijdrage doorrekent. Het kan hier ook gaan over bewoning bij een maatschappelijke instantie waaronder (maar niet beperkt tot) een veiligheidshuis, babyhuis, exodushuis, of dak- en thuislozenopvang wanneer er geen mogelijk is tot hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal.
Bijdrage in (een deel van) de woonkosten of lasten door een derde (lid 1 sub c en d)
Giftenvrijlating
Op grond van artikel 31, tweede lid, onder m van de Participatiewet worden giften niet tot de middelen gerekend tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar. Dit geldt ook voor bijdragen die leiden tot een kostenbesparing (artikel 18, achtste lid, Participatiewet). Voorbeelden zijn: een derde die de huur betaalt of boodschappen verzorgt.
Normverlaging bij structurele situatie
De giftenvrijlating staat los van de normverlaging op grond van artikel 27 Participatiewet. Artikel 27 ziet op de feitelijke woonsituatie. Als de belanghebbende structureel lagere woonkosten heeft dan kan het college de bijstandsnorm verlagen.
Het college hanteert een termijn van zes maanden om te beoordelen of sprake is van een structurele situatie. Deze termijn sluit aan bij andere termijnen in de Participatiewet, zoals de inkomstenvrijlating (artikel 31, tweede lid, onder n).
Gevolg
Kortdurende bijdragen (korter dan zes maanden) vallen onder de giftenvrijlating van artikel 31 Participatiewet. Structurele bijdragen (zes maanden of langer) leiden tot verlaging van de bijstandsnorm op grond van artikel 27 Participatiewet. Dit geldt ongeacht of het bedrag binnen de jaarlijkse giftenvrijlating van €1.200,- valt.
Hoogte van de verlaging
De kortingspercentages zijn gebaseerd op de basishuur uit artikel 16 van de wet op de huurtoeslag (bij geen of lage woonkosten) en de gemiddelde Nibud-bedragen voor gas, elektriciteit en water (bij geen woonlasten).
Bij woonkosten (lid 2 sub b) worden de daadwerkelijke kosten bepaald. Het percentage van de korting wordt vervolgens vastgesteld op een variabel tussen 1 en 10%. Bij woonlasten wordt vastgesteld of belanghebbende wel of geen woonlasten heeft. De korting wordt vastgesteld op 0 of 10%. Dit is een bewuste keuze omdat woonlasten variabel zijn vanwege schommelingen in energieprijzen en het gedragselement bij energieverbruik. Het veelvuldig herberekenen van de korting en ook het korten op de uitkering bij lage woonlasten door bijvoorbeeld bewuste energiebesparing is onwenselijk.
Voorbeeld
Een inwoner heeft geen woonlasten en betaalt €100 woonkosten. De korting wordt vastgesteld op:
Woonkosten: basishuur (€199) – daadwerkelijke kosten (€100,-) = € 99,-, dat is 5% van de gehuwdennorm. Woonlasten: geen woonlasten, korting van 9%
Totale korting: 5% woonkosten + 9% woonlasten = 14%
Hoofdstuk 3.
Artikel 3.1
Ontbreken van woonkosten of woonlasten
Onderdeel van Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026