Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.2

Ingangsdatum normwijziging bij verblijf in inrichting korter dan 6 maanden

Onderdeel van Beleidsregels Vermogen en Algemene Bijstandsnorm bij lage woonkosten of verblijf in inrichting 2026

1.. Wanneer het verblijf in inrichting op voorhand in principe tijdelijk is en korter dan 6 maanden, dan verstrekt het college de algemene bijstand tot drie maanden na de dag van de opname naar de bijstandsnorm die zou gelden wanneer geen sprake zou zijn van opname in een inrichting. 2.. Bij korte herhaaldelijke opnames binnen de termijn van 3 maanden geldt de eerste dag van opname als de startdatum van de periode. Toelichting: Verblijf in inrichting met woonkosten of lasten Artikel 23 van de wet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Wanneer er meer dan de helft van ieder etmaal een mogelijkheid is tot hulpverlening of begeleiding, valt het verblijf onder verblijf in inrichting. Dit staat in begripsbepaling artikel 1 lid f van de wet. Het kan voorkomen dat iemands woonsituatie onder de definitie van inrichting valt, maar dat deze persoon wel woonkosten maakt. Bijvoorbeeld bij gescheiden wonen en zorg. In dit geval kan de gemeente bijzondere bijstand verschaffen voor woonkosten op basis van artikel 35 van de wet. Moment van verblijf We rekenen het moment van opname in een inrichting als het moment van verblijf in een inrichting. Moment van normwijziging Deze beleidsregel bepaalt dat de gemeente bij een verblijf korter dan 6 maanden in een inrichting de eerder geldende bijstandsnorm nog drie maanden na de opnamedatum laat doorlopen. Daarna zet de gemeente de norm om naar de norm voor verblijf in een inrichting. Tijdelijke opnames duren vaak kort en kunnen meerdere keren kort na elkaar plaatsvinden. In zulke situaties is het niet wenselijk om de norm direct om te zetten. De norm zou dan steeds wisselen, wat onrust veroorzaakt voor zowel de inwoner als de gemeente. Bovendien lopen in deze korte periodes meestal de vaste lasten van de belanghebbende door, waardoor de gemeente telkens bijzondere bijstand zou moeten verlenen. Bij verblijf langer dan 6 maanden in een inrichting doet deze situatie zich niet voor. Daarom houdt de gemeente in deze gevallen de eerder geldende bijstandsnorm nog één maand na de opnamedatum aan. Voorbeeld Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 sub a van de wet wordt nog tot drie maanden na de dag van de opname verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 15 september. Vanaf 16 september geldt de inrichtingsnorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel