De raad benoemt per commissie een vaste commissievoorzitter op basis van een door de raad vastgesteld functieprofiel. Een raadslid kan alleen zichzelf voordragen als kandidaat. De plaatsvervangend voorzitter van de raad is tevens plaatsvervangend commissievoorzitter.
De zittingsperiode van een commissievoorzitter eindigt in ieder geval met het einde van de zittingsperiode van de raad.
De raad kan een commissievoorzitter ontslaan.
Een commissievoorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. De voorzitter doet daarvan schriftelijk mededeling aan de voorzitter van de raad. Het ontslag gaat een maand na de schriftelijke mededeling in of zoveel eerder als een opvolger is benoemd.
Als een vacature voor een commissievoorzitter ontstaat, beslist de raad zo spoedig mogelijk over de vervulling daarvan.
Hoofdstuk 1
Artikel 7