De standplaatsvergunning kan op grond van artikel 1:6 van de APV worden ingetrokken of gewijzigd als
Mededinger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;
Op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;
De aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
Van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen één maand voor vaste standplaatsen en twee weken voor seizoengebonden standplaatsen
De houder dit verzoekt.
Voorts kan intrekking of wijziging van de vergunning plaatsvinden als:
De vergunninghouder is overleden en er geen verzoek voor overdracht van de vergunning is ingediend op grond van artikel 17 van de beleidsregels.
de vergunninghouder het bij of op grond van deze beleidsregels bepaalde overtreedt;
de vergunninghouder niet of niet tijdig de rechten, onder welke naam dan ook verschuldigd, voldoet;
de vergunninghouder zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;
het verkeersbelang dit eist;
dit noodzakelijk is in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente;
Alvorens tot daadwerkelijke intrekking of wijziging van de vergunning over te gaan, wordt vergunninghouder in een gesprek in de gelegenheid gesteld de aanleiding van de intrekking of wijziging weg te nemen of te herstellen.
Hoofdstuk 4
Artikel 15
Wijzigen of intrekken vergunning
Onderdeel van Beleidsregels standplaatsen Het Hogeland 2021