Uitgangspunt
Het dak en het historische daklandschap zijn belangrijke onderdelen van het monument en het historische stadsbeeld. Dakkapellen andere voorzieningen zoals dakvensters en installaties in en op het dak kunnen het daklandschap en het silhouet van het pand verstoren. Het is daarom van belang de oorspronkelijke kapvorm te handhaven en nieuwe voorzieningen in de kap zoveel mogelijk te beperken. Ook een voorziening die vanaf openbaar gebied niet zichtbaar is, kan toch onwenselijk zijn omdat deze de dakvorm verstoord.
Historische voorzieningen in het dak zoals oude dakkapellen en schoorstenen dragen bij aan het aanzien van het dak. Het behoud van deze onderdelen is uitgangspunt. Het voordeel hiervan is dat bestaande rookkanalen en schoorstenen zeer geschikt zijn voor het wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen etc.
Aanpassingen van hoog monumentale dakconstructies om voorzieningen te kunnen plaatsen is in beginsel niet toegestaan.
Groene of blauwe daken zijn toegestaan op platte daken onder voorwaarde dat de constructie voldoende draagkracht heeft en de dakranden niet hoeven worden aangepast om het pakket aan te kunnen brengen wanneer deze een onderdeel vormen van het monumentale beeld (hoog of positief). Op hellende daken zijn groene daken in beginsel niet toegestaan.
Functionele toets
Voorzieningen moeten tussen de spanten worden aangebracht.
Voorzieningen in het dak mogen niet boven vlieringniveau worden aangebracht. Indien een kap geen vliering heeft, wordt de nieuwe voorziening bij kappen tot 10 rijen pannen tussen de goot en de nok minimaal 3 pannen uit de nok aangebracht; bij kappen met 10 en 11 rijen pannen tussen de goot en nok blijft de voorziening minimaal 4 pannen uit de nok en bij kappen met 12 rijen pannen of meer minimaal 5 pannen uit de nok.
Dakterrassen op monumenten buiten de beschermde gezichten zijn toegestaan op platte daken wanneer ze niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied en wanneer voldaan wordt aan de welstandscriteria voor orde 2-panden.
Dakterrassen zijn in beginsel niet toegestaan op het hoofdvolume van monumenten die liggen binnen een beschermd stadsgezicht, tenzij een dakterras op een lager deel van het hoofdvolume kan worden aangebracht, bijvoorbeeld op een plat dak achter een hoger langsdak en het dakterras niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied. Een uitzondering kan worden gemaakt bij woonblokken waar een deel van de daken boven op het hoofdvolume al zijn voorzien van (legale) dakterrassen; hier is een dakterras toegestaan wanneer deze niet zichtbaar is vanaf openbaar gebied. Dakterrassen zijn evenmin toegestaan als de achtergevel en/of het binnengebied als hoog monumentaal is gewaardeerd. In dit geval mag het dakterras ook niet zichtbaar zijn vanaf het binnengebied.
In alle gevallen mag een dakterras (hekwerken en toegang) niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar gebied.
In of op wolfeinden zijn voorzieningen niet toegestaan.
Loggia’s in daken zijn niet toegestaan.
Installaties mogen ondergeschikt zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied. Het plaatsen van installaties (bijvoorbeeld buitenunits voor warmtepompen) op hellende daken is toegestaan mits deze niet hoger komen dan de nok. Bij platte daken moet bij installaties (bijvoorbeeld buitenunits voor warmtepompen) de afstand tot de dakrand minimaal de hoogte van de unit bedragen met een minimum van 1 m. De installaties worden bij voorkeur gecentreerd op het dak of aan de achterzijde van het dak geplaatst.
Zendmasten of -installaties op monumenten zijn alleen mogelijk wanneer de installatie niet hinderlijk zichtbaar is vanaf openbaar gebied, het beeld niet wordt verstoord en de installatie volledig reversibel kan worden aangebracht.
Dwarsdaken (dakrichting haaks op de straat)
Bij dwarsdaken mag de som van de voorzieningen op of in het dak (dakkapellen, dakvensters, installaties etc.) maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak beslaan.
Bij dwarsdaken de voorzieningen bij voorkeur in de lengterichting midden in het dakvlak aanbrengen, waarbij de voorziening een kwart van de lengterichting uit de voor- en achtergevel blijft.
Langsdaken (dakrichting evenwijdig aan de straat)
Dakkapellen zijn toegestaan wanneer dit past bij de typologie en de architectuur van het pand. Bij dakvlakken in het zicht waarbij de geslotenheid een wezenlijk onderdeel is van de architectonische verschijningsvorm zijn dakkappellen in beginsel niet toegestaan.
Dakvenster zichtbaar vanaf openbaar gebied zijn niet toegestaan.
Bij dakvlakken aan de achterzijde van een pand zijn dakkapellen en dakvensters (som van de voorzieningen) toegestaan tot maximaal een derde van de lengterichting van het dakvlak tenzij het gesloten dakvlak een wezenlijk onderdeel is van de architectonische verschijningsvorm van de hoog monumentale achtergevel. In dat geval dicteert de typologie en architectuur de mogelijkheden om voorzieningen aan te brengen.
Deel I › Paragraaf 6
Artikel 6.6
Voorzieningen op of in daken
Onderdeel van Beleidskader Monumenten 2026