Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › Paragraaf 4.11

Artikel 4.11.2

De auto en vermogen

Onderdeel van Leidraad invordering gemeente Rijswijk

De waarde van een motorvoertuig telt niet mee voor het vermogen als het op het moment van het verzoek minder dan € 3.350,00 waard is. Is het voertuig meer waard, dan wordt de volledige waarde meegenomen als vermogen. Als er geld is geleend voor het voertuig en er een pandrecht gevestigd is, dan wordt de lening afgetrokken van de waarde van het voertuig. Een pandrecht geeft degene (bijvoorbeeld een bank) die het geld aan de belastingschuldige heeft geleend een extra garantie. Als de belastingschuldige niet betaalt, heeft de bank het recht om de auto te verkopen, voordat andere schuldeisers dit kunnen doen. Als de belastingschuldige failliet gaat, kan de schuldeiser zijn pandrecht blijven gebruiken en proberen zijn geld te krijgen, alsof er geen faillissement is. Als het voertuig na de verzending van het aanslagbiljet is gekocht, wordt dit als verwijtbaar gedrag gezien. Dit betekent dat de kosten voor de aanschaf van het voertuig worden opgeteld bij het banksaldo. Als 'waarde' geldt de prijs die de autohandel wil betalen bij inkoop van de auto zonder gelijktijdige verkoop van een andere auto. De waarde van de auto wordt in beginsel bepaald op basis van de bevindingen van het BIDN of de ANWB Koerslijst. Daarbij wordt uitgegaan van de door de belastingschuldige doorgegeven kilometerstand. Als het niet mogelijk is om met de AWNB Koerslijst een waarde te bepalen wordt er gekeken naar een vergelijkbare auto op de tweedehands (online) automarkt. Een auto telt niet mee als vermogen als de belastingschuldige aan de invorderingsambtenaar aannemelijk kan maken dat die auto absoluut onmisbaar is voor zijn werk of in verband met invaliditeit of ziekte van de belastingschuldige of zijn gezinsleden. Met gezinsleden wordt bedoeld de echtgeno(o)t(e) van belastingschuldige, diens geregistreerde partner of diens kind(eren) voor zover deze geen eigen inkomen/vermogen heeft (hebben) waarmee de auto kan worden betaald. Noodzakelijkheid van de auto in verband met de uitoefening van het beroep kan onder andere aannemelijk gemaakt worden met een verklaring van de werkgever of als aannemelijk is dat een ander vervoersmiddel (bijvoorbeeld fiets of openbaar vervoer) niet mogelijk is. Noodzakelijkheid van de auto in verband met invaliditeit of ziekte kan aannemelijk gemaakt worden door het overleggen van een gehandicaptenparkeerkaart of een verklaring van een arts waaruit blijkt dat de auto noodzakelijk is. Als er meer dan één motorvoertuig in eigendom is, wordt de vrijstelling toegepast op de waarde van het goedkoopste motorvoertuig. Alle andere motorvoertuigen worden volledig als vermogen aangemerkt.

Rechtspraak bij dit artikel