De aanvrager maakt voor de aanvraag gebruik van het voor deze regeling door het college ter beschikking gestelde digitale aanvraagformulier inclusief bijlagen en voegt bij de aanvraag de volgende stukken bij:
een projectplan. In dit projectplan beschrijft de aanvrager op welke wijze invulling wordt gegeven aan de uitvoering van het welzijnswerk. Het plan moet in overeenstemming zijn met de beleidsregel en vormt een integraal onderdeel van de subsidieaanvraag. Het projectplan bestaat uit maximaal 20 pagina’s exclusief inhoudsopgave en bijlages. Indien er meer bladzijden worden ingediend dan is toegestaan, worden de pagina’s die het maximum overschrijden niet beoordeeld;
een begroting met dekkingsplan per onderdeel op hoofdlijnen, hieruit blijkt welke kosten met de subsidie worden gedekt;
gegevens op grond waarvan de gemeente kan vaststellen dat in het meest recente beschikbare boekjaar geen negatief eigen vermogen is en er geen gegronde twijfels zijn over de continuïteit van de onderneming:
niet-controleplichtige aanvrager: een aanvrager die op grond van zijn omvang valt onder de vrijstelling van artikel 2:396 BW (kleine rechtspersoon) of artikel 2:395a BW (micro-rechtspersoon): de meest recente jaarrekening of, bij ontbreken daarvan, een actuele balans met winst- en verliesrekening; waaruit blijkt dat in het meest recente boekjaar het eigen vermogen niet negatief is;
controleplichtige aanvrager: een aanvrager die wettelijk verplicht is tot accountantscontrole van de jaarrekening (artikel 2:393 lid 1 jo. artikel 2:396 lid 7 BW): de meest recente jaarrekening met de daarbij behorende accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2:393 lid 5 BW; waaruit blijkt dat in het meest recente boekjaar het eigen vermogen niet negatief is en de accountantsverklaring geen paragraaf bevat als bedoeld in artikel 2:393 lid 5 onderdeel h BW, inhoudende een verklaring betreffende materiële onzekerheden die gerede twijfel kunnen doen rijzen over de voortgang van de activiteiten van de aanvrager;
gegevens op grond waarvan de gemeente kan vaststellen dat aanvrager geschikt is om de onderhavige activiteiten uit te voer
en door:
een verklaring van de aanvrager dat in een periode van drie jaar voorafgaande aan de aanvraag er geen opdracht- of subsidierelatie inzake het uitvoeren van welzijnswerk voortijdig door een gemeente is beëindigd (het niet benutten van een (verlenging)optie valt daar niet onder) en/ of tot een schadeplicht zijdens aanvrager heeft geleid vanwege (naar het oordeel van de betreffende gemeente) wanprestatie door aanvrager. Indien een dergelijke voortijdige beëindiging en/ of schadeplicht zich heeft voorgedaan en aanvrager niettemin meent dat een weigering van de subsidie op deze grond disproportioneel zou zijn, dan dient dit tegelijk met de verklaring aannemelijk te worden gemaakt (met bijvoorbeeld een overzicht van genomen maatregelen). Een en ander ter vrije beoordeling van de gemeente.
een referentie waaruit blijkt dat de aanvrager welzijnswerk heeft uitgevoerd op (het merendeel van) de in hoofdstuk 3 beschreven onderdelen in een vergelijkbare kleine (tot 30.000 inwoners) of middelgrote (30.000-80.000 inwoners) gemeente.