Naar hoofdinhoud

Artikel 5

– Uitzonderingen, beperkingen en randvoorwaarden van het mandaat

Onderdeel van Mandaatregeling 1Stroom 2026

1.. Mandaat wordt uitsluitend uitgeoefend binnen de grenzen van: het toegewezen taakveld of werkgebied; de bijhorende budgetten en bevoegdheden als opgenomen in de Budgethoudersregeling; de functie van de gemandateerde. 2.. Mandaat is niet toegestaan in de volgende gevallen: Het betreft vaststelling van beleid, beleidsregels of algemeen verbindende voorschriften; Het besluit wijkt af van bestaand beleid of leidt tot precedentwerking zonder bestuurlijke afstemming; Er is sprake van overschrijding van het budget of krediet of er is sprake van een groot financieel of politiek risico; De mandaatgever of de directeur heeft aangegeven het besluit zelf te willen nemen; Het betreft een aangelegenheid waarbij de gemandateerde een persoonlijk belang heeft; Het betreft een bevoegdheid die volgens de Wet gemeenschappelijke regelingen of de GR 1Stroom is voorbehouden aan een specifiek bestuursorgaan; Het betreft benoemingen of schorsingen van functionarissen voor wie dat is uitgesloten in bijlage 1 of 2; Het betreft een bevoegdheid die reeds gemandateerd is aan een andere functionaris of instantie op grond van een andere regeling. 3.. De directeur informeert de mandaatgevers op periodieke basis over de uitoefening van mandaten wanneer daartoe aanleiding bestaat, of op hun verzoek. 4.. Bij twijfel over de toepassing van mandaat of ondermandaat prevaleert overleg met de directeur en/of mandaatgever. 5.. In geval van strijdigheid tussen de Budgethoudersregeling en het Mandaatbesluit over de financiële grenzen, prevaleert de Budgethoudersregeling en kan de bevoegdheid niet in mandaat worden uitgeoefend. 6.. In geval van een bezwaarschrift wordt het mandaat niet uitgeoefend door degene die het primaire besluit heeft genomen, tenzij het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.

Rechtspraak bij dit artikel