Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.3

Taaltoets

Onderdeel van Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026

3.3.1.. Het college neemt een taaltoets af bij inwoners van wie op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs wordt vermoed dat zij onvoldoende Nederlands beheersen om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te verrichten (artikel 18b, eerste lid van de Wet). 3.3.2.. Geen toets/ aantoonplicht is aan de orde indien de inwoner aantoont te beschikken over één van de volgende bewijzen van voldoende taalvaardigheid: een in Nederland behaald diploma primair onderwijs, voortgezet onderwijs (vmbo/havo/vwo) of mbo/hbo/wo; een diploma Inburgering (B1) of Staatsexamen NT2 (programma I of II); een ander, naar aard en niveau gelijkwaardig bewijs waaruit voldoende taalvaardigheid blijkt. 3.3.3.. De toets wordt in beginsel binnen acht weken na aanvraag van de bijstand afgenomen. De inwoner wordt binnen acht weken na afname schriftelijk geïnformeerd over het resultaat en over het bestaan van het redelijk vermoeden dat de taal onvoldoende wordt beheerst (artikel 18b, tweede en vierde lid van de Wet). 3.3.4.. Het niet of onvoldoende meewerken aan de taaltoets kan gevolgen hebben voor de bijstand of andere arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18b van de Wet en artikel 7.1.6. van de verordening sociaal domein. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot verlaging van de bijstand of andere passende maatregelen zoals re-integratie of participatie. 3.3.5.. Indien uit de toets blijkt dat de taalvaardigheid onvoldoende is, wordt het redelijk vermoeden geacht aanwezig te zijn. Het college kan hierop vervolgacties baseren, zoals extra taalondersteuning of toepassing van de bijstandsverlaging volgens artikel 18b, negende, tiende en elfde lid van de Wet). 3.3.6.. Het redelijk vermoeden kan te allen tijde door de inwoner worden weggenomen door het overleggen van de in lid 2 genoemde bewijsstukken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel