**4.10.1..** Reiskosten worden in beginsel aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen voor rekening van de inwoner. De bijstandsnorm bevat een vervoerscomponent waaruit regulier vervoer, waaronder woon-schoolverkeer, geacht wordt te worden bekostigd. De inwoner wordt geacht hiervoor te reserveren.
**4.10.2..** Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke reiskosten indien en voor zover deze kosten, gelet op de individuele omstandigheden, niet uit het inkomen en/of vermogen en/of een voorliggende voorziening kunnen worden voldaan. Voor zover een voorliggende voorziening bestaat, zoals ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet of leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, wordt geen bijzondere bijstand verleend. Bijzondere bijstand kan in elk geval worden overwogen bij:
reizen voor medische behandeling, onderzoek of therapie buiten de gemeente;
familiebezoek bij opname in een ziekenhuis of instelling, of bij detentie;
reizen door mantelzorgers die noodzakelijk zijn om mantelzorg te kunnen verrichten.
**4.10.3..** Bij vergoeding van reiskosten voor familiebezoek weegt het college onder meer mee:
de familiegraad;
de sociale, medische of psychosociale noodzaak van het bezoek;
de mogelijkheid van het te bezoeken familielid om zelf bezoek af te leggen, en
de redelijke bezoekfrequentie gelet op de omstandigheden.
Er wordt geen onderscheid gemaakt in de aanspraak voor ziekenhuis-, instellingen- of detentiebezoek, maar de noodzaak kan per situatie verschillen.
**4.10.4..** De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van de goedkoopst adequate wijze van vervoer. Het college hanteert daarbij als uitgangspunt de volgorde: fiets, openbaar vervoer en indien noodzakelijk eigen vervoer. Bij gebruik van een privéauto wordt de tegemoetkoming berekend volgens de onbelaste kilometervergoeding (2026: € 0,23 per kilometer).
**4.10.5..** Voor afstanden tot 10 kilometer beschouwt het college een (tweedehands) fiets als passend vervoermiddel. Als een inwoner niet of niet voldoende heeft kunnen reserveren voor de aanschaf van een (tweedehands) fiets, kan eenmalig bijzondere bijstand worden verleend tot maximaal 60% van het Nibud-normbedrag voor een gewone fiets.
**4.10.6..** Voor woon-schoolverkeer van minderjarige scholieren bij afstanden van meer dan 10 kilometer blijft de fiets uitgangspunt. Indien het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving geen passende oplossing biedt, kan het college bijzondere bijstand voor openbaar vervoer verstrekken wanneer sprake is van een objectieve noodzaak, waaronder:
medische beperkingen waardoor fietsen niet mogelijk of onverantwoord is;
structureel onveilige of niet-vermijdbare risico’s in de fietsroute;
zodanige afstand dat deze voor een minderjarige als onredelijk is aan te merken;
reistijd of fysieke belasting die schooldeelname belemmert.
Comfort, tijdswinst of gebruikelijkheid in de omgeving vormen geen reden voor bijzondere bijstand.
**4.10.7..** Het college kan verlangen dat de noodzaak en de gemaakte kosten worden aangetoond met bewijsstukken (bijvoorbeeld afsprakenbrieven, bezoekoverzichten, facturen of vervoersbewijzen).
Hoofdstuk 4
Artikel 4.10
Reiskosten/vervoer
Onderdeel van Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026