Bij tijdelijke verplaatsing vindt tijdig overleg plaats met de betrokken standplaatshouder.
Het college maakt per situatie een zorgvuldige belangenafweging, waarbij zowel het publieke belang als het belang van de vergunninghouder wordt betrokken.
Indien redelijkerwijs mogelijk wordt een passende alternatieve locatie aangeboden.
Een alternatieve locatie wordt aangemerkt als passend indien:
Deze zich in de nabijheid van de oorspronkelijke standplaatslocatie bevindt;
Voldoende fysieke ruimte aanwezig is voor een veilige opstelling;
Technische voorzieningen (zoals elektriciteit) beschikbaar of realiseerbaar zijn;
Geen onevenredige hinder voor verkeer, omwonenden of ondernemers ontstaat.
Indien redelijkerwijs geen passende alternatieve locatie beschikbaar is, bestaat geen recht op schadevergoeding of vervangende exploitatiemogelijkheid.