Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Stimuleren van zelfstandig reizen

Onderdeel van Nadere regels uitvoering leerlingenvervoer Hulst 2026

De gemeente wil zelfstandig(er) reizen stimuleren en faciliteren. Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen een eventuele beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin. Het college past hierbij artikel 4 van de verordening toe. Op ieder moment kunnen ouders/verzorger(s) en leerlingen met het college in gesprek gaan over de mogelijkheden om (meer) zelfstandig te gaan (leren) reizen. Ook kan het college contact zoeken met ouders/verzorger(s) en leerlingen. Het college hanteert als uitgangspunt, dat voor elke leerling een vervoersontwikkelingsplan wordt opgesteld, tenzij het college uit advies van een deskundige concludeert, dat het voor de leerling onmogelijk is om zelfstandig of met begeleiding te leren reizen. Het vervoersontwikkelingsplan bevat in elk geval de volgende componenten: welke mogelijkheden er zijn om de leerling zelfstandiger te laten reizen, wat hiervoor nodig is, welke periode hiervoor gepland wordt, wat ouders/verzorger(s) hierin kunnen betekenen en waar de gemeente ondersteunt. Het college voert in principe het gesprek over zelfredzaamheid en zelfstandigheid; Bij de eerste aanvraag; en/of Wanneer een leerling in het (speciaal) basisonderwijs de leeftijd van 9 jaar bereikt; Wanneer een leerling in het speciaal onderwijs de leeftijd van 11 jaar bereikt; Bij de beoordeling of een leerling op de fiets naar school kan, hanteert het college de volgende uitgangspunten: leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs vanaf groep 8 fietsen naar school, tenzij de afstand groter is dan 10 km. Dit wordt gezien als voorbereiding op het voortgezet onderwijs. Bij de beoordeling neemt het college indien van toepassing het eerder opgestelde vervoersontwikkelingsplan mee. Bij de beoordeling of een leerling met het openbaar vervoer (OV) naar school kan, hanteert het college de volgende uitgangspunten: Leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs gaan vanaf groep 8 zelfstandig met de bus naar school, tenzij de afstand korter is dan 10 kilometer. Dan geldt als uitgangspunt dat reizen per fiets mogelijk is. Bij de beoordeling of een leerling met bus kan reizen, neemt het college indien van toepassing het eerder opgestelde vervoersontwikkelingsplan mee. Het college stelt in beginsel een vervoersontwikkelingsplan (VOP) op indien: een leerling gebruik maakt van aangepast vervoer of vervoer met begeleiding; en/of bij de eerste aanvraag blijkt dat zelfstandig reizen (nog) niet mogelijk is, maar ontwikkeling richting zelfstandigheid wel in beeld is; en/of een leerling in het (speciaal) basisonderwijs de leeftijd van 9 jaar bereikt; en/of een leerling in het speciaal onderwijs de leeftijd van 11 jaar bereikt. De in dit lid genoemde leeftijden gelden als indicatief evaluatie- en afwegingsmoment en niet als zelfstandig beslissend criterium. Het college beoordeelt steeds de actuele zelfredzaamheid, routeveiligheid, belastbaarheid en eventuele beperkingen van de leerling. Het college kan in overige gevallen eveneens besluiten een VOP op te stellen, indien dit bijdraagt aan de zelfstandigheid van de leerling. Het college informeert ouders/verzorger(s) over het opstellen van een vervoersontwikkelingsplan (VOP) en betrekt hen, voor zover noodzakelijk en passend, bij de uitvoering en evaluatie daarvan. De leerling wordt hierbij betrokken voor zover passend bij leeftijd en ontwikkeling. Het college kan informatie van de school, het samenwerkingsverband of andere betrokken deskundigen betrekken indien dit noodzakelijk is voor de beoordeling van de vervoersmogelijkheden en ontwikkeldoelen van de leerling. Indien beschikbaar betrekt het college bij het VOP relevante onderwijsinformatie, waaronder het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en/of een recente inschatting van de ondersteuningsbehoefte. Indien noodzakelijk kan het college aanvullende informatie opvragen. Het VOP bevat minimaal: de huidige reisvaardigheden en belemmeringen van de leerling; het beoogde ontwikkeldoel (bijv. zelfstandig fietsen / zelfstandig OV / reizen met begeleiding); de (tussen)stappen en activiteiten om dit doel te bereiken; de rol en inzet van ouders/verzorger(s) en eventueel sociaal netwerk; de ondersteuning door de gemeente (bijv. inzet van vervoertraining of hulpmiddelen); een planning en evaluatiemoment(en). Evaluatie en bijstelling Het college evalueert het VOP in beginsel jaarlijks. Indien het college daartoe aanleiding ziet (bijvoorbeeld bij zichtbare ontwikkeling, verandering in route/onderwijs of wijziging in belastbaarheid), kan het college tussentijds evalueren en het VOP bijstellen. De uitkomsten van de evaluatie worden vastgelegd in het dossier en kunnen leiden tot heroverweging van de vervoersvoorziening. Bij de beoordeling van de zelfredzaamheid en vervoersmogelijkheden van de leerling kan het college betrekken of de leerling in het verleden zelfstandig of met begeleiding heeft kunnen reizen. Eerdere zelfstandigheid vormt echter geen automatisch criterium voor afwijzing of toekenning van een vervoersvoorziening. Het college beoordeelt steeds de actuele mogelijkheden, belastbaarheid en beperkingen van de leerling, ook bij overgang naar het (voortgezet) speciaal onderwijs of bij wijziging van de ondersteuningsbehoefte. Vervoertraining (o.a. OV-training) Het college kan vervoertraining inzetten als onderdeel van het VOP, waaronder begrepen OV-training, fietstraining of begeleiding bij routevaardigheden. Vervoertraining wordt ingezet indien aan één of meer van de volgende criteria is voldaan: de leerling heeft ontwikkelpotentieel richting zelfstandiger reizen; de route en afstand zijn naar verwachting geschikt om in stappen zelfstandig te reizen; de belastbaarheid van de leerling laat training toe; de inzet is redelijk en proportioneel gelet op leeftijd, ontwikkelingsperspectief en ondersteuningsbehoefte; ouders/verzorger(s) en/of school kunnen bijdragen aan oefenen en borgen (waar mogelijk). Het college kan de inzet van vervoertraining verbinden aan voorwaarden in het VOP, waaronder deelname aan (een deel van) de training of het uitvoeren van afgesproken oefenmomenten, voor zover dit redelijkerwijs van ouders/verzorger(s) en leerling kan worden verwacht.

Rechtspraak bij dit artikel