**1..** Burgemeester en wethouders kunnen bij het verstrekken van leerlingenvervoer een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van de vervoersvoorziening.
**2..** De ouders dragen er zorg voor dat de leerling naar en op de opstapplaats wordt begeleid als dit noodzakelijk is.
**3..** Burgemeester en wethouders wijzen geen opstapplaats aan als door de ouders wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.
**4..** De vervoerscentrale draagt zorg voor de praktische uitvoering, communicatie en implementatie van aangewezen opstapplaatsen.
**5..** Het college kan een opstapplaats of centrale HUB aanwijzen indien dit doelmatig is voor de uitvoering van het aangepast vervoer en de locatie veilig, bereikbaar en passend is voor de betreffende leerlingen. Onder een HUB wordt verstaan: een door of namens de gemeente aangewezen centrale opstap- of overstaplocatie voor collectief vervoer.
**6..** Bij het aanwijzen van een opstapplaats gelden de volgende uitgangspunten:
de opstapplaats ligt zo dicht mogelijk bij de woning van de leerling;
de opstapplaats is goed bereikbaar en verkeersveilig;
de opstapplaats biedt voldoende ruimte voor veilig in- en uitstappen;
de opstapplaats is geschikt voor het voertuigtype dat wordt ingezet;
het gebruik van een opstapplaats leidt niet tot hogere kosten voor de gemeente dan vervoer vanaf de woning.
het gebruik van een HUB of opstapplaats draagt bij aan een doelmatige en efficiënte organisatie van het collectieve vervoer.
**7..** Het college hanteert bij het aanwijzen van een opstapplaats in beginsel de volgende maximale loopafstanden:
voor leerlingen in het (speciaal) basisonderwijs: maximaal 800 meter;
voor leerlingen in het voortgezet (speciaal) onderwijs: maximaal 1.200 meter.
Indien de leerling vanwege medische of andere beperkingen niet in staat is deze afstand te lopen of fietsen, kan het college hiervan gemotiveerd afwijken.
**8..** Indien ouders/verzorger(s) een beroep doen op een uitzonderingsgrond als bedoeld in lid 3, beoordeelt het college dit op basis van de feiten en omstandigheden. Het college kan hierbij bewijsstukken opvragen, zoals:
informatie van school of samenwerkingsverband;
informatie van betrokken hulpverlening;
medische of gedragskundige informatie, voor zover relevant en noodzakelijk.
**9..** Het college kan een opstapplaats wijzigen of intrekken indien:
de omstandigheden wijzigen (bijvoorbeeld route/veiligheid, wijziging vervoersstromen);
het onderwijsaanbod of de vervoersplanning wijzigt; of
de opstapplaats niet langer doelmatig of veilig is.
**10..** Het besluit tot aanwijzen, wijzigen of intrekken van een opstapplaats wordt vastgelegd en gecommuniceerd aan ouders/verzorger(s). Daarbij wordt aangegeven per welke datum het besluit ingaat en welke mogelijkheden er zijn om bezwaar te maken.
**11..** Indien ouders/verzorger(s) bezwaar maken tegen het besluit tot aanwijzen van een opstapplaats, kunnen zij gedurende de bezwaarprocedure het college verzoeken om maatwerk of tijdelijke overbrugging, indien de uitvoering van het vervoer anders tot onredelijke of onveilige situaties leidt.
Artikel 15.
Aanwijzen van opstapplaatsen
Onderdeel van Nadere regels uitvoering leerlingenvervoer Hulst 2026